← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY2967

11/237 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 december 2010, 09/2807 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college) Datum uitspraak 13 november

  1. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R. Zwiers, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober
  2. Voor appellante is mr. Zwiers verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma. OVERWEGINGEN
  3. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  4. Appellante ontvangt sinds 1 mei 2006 pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet voor een ongehuwde. Daarnaast ontvangt zij pensioenuitkeringen van verschillende pensioenfondsen. Zij staat sinds 19 oktober 1993 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) op het adres [adres 1] te [naam gemeente]. Appellante is op 11 mei 1982 gescheiden van [naam ex-echtgenoot]. Uit hun relatie zijn twee kinderen geboren. M ontving van 1 oktober 1989 tot en met 9 december 2008 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). M stond sinds 31 januari 1984 ingeschreven in de GBA op het adres [adres 2] te [naam gemeente]. 1.
  5. Naar aanleiding van een melding dat M heeft verklaard al geruime tijd een LAT-relatie te hebben met appellante, dat hij heeft geïnformeerd naar de financiële gevolgen in geval van samenwonen en dat hij heeft verklaard vaak bij appellante te zijn, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld. In dat kader is dossieronderzoek verricht, hebben waarnemingen plaatsgevonden, zijn bij verschillende instanties inlichtingen ingewonnen, hebben diverse getuigen verklaringen afgelegd en zijn appellante en M op 9 december 2008 verhoord. Van de bevindingen van het onderzoek heeft de sociale recherche op 16 februari 2009 een proces-verbaal opgemaakt. 1.
  6. Bij besluit van 10 februari 2009 heeft het college de aan M verleende bijstand met ingang van 1 december 2006 ingetrokken. Voorts heeft het college hierbij de over de periode van 1 december 2006 tot en met 30 november 2008 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 27.965,15 van M teruggevorderd en op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB mede van appellante teruggevorderd. Aan dit besluit heeft het college, voor zover van belang, ten grondslag gelegd dat, nu M niet aan het college heeft gemeld dat hij met ingang van 1 december 2006 met appellante een gezamenlijke huishouding voert, hij de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden, zodat zijn recht op bijstand met ingang van 1 december 2006 niet (meer) is vast te stellen. 1.
  7. Bij besluit van 30 juli 2009 heeft het college het bezwaar van M tegen het besluit van 10 februari 2009 ongegrond verklaard. Hierbij is de motivering van het besluit van 10 februari 2009 in die zin gewijzigd dat M met ingang van 1 december 2006 niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden beschouwd, zodat hij in de periode van 1 december 2006 tot en met 30 november 2008 geen recht had op bijstand. 1.
  8. Bij besluit van 8 september 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 februari 2009 eveneens ongegrond verklaard. Hierbij is verwezen naar het onder 1.4 genoemde besluit van 30 juli
  9. 1.
  10. Bij uitspraak van 2 december 2010 (09/2521) heeft de rechtbank het beroep van M tegen het besluit van 30 juli 2009 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze uitspraak inmiddels onherroepelijk en dit besluit inmiddels in rechte onaantastbaar is geworden.
  11. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  12. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat het college de door haar in het kader van het strafrechtelijk onderzoek afgelegde verklaringen niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. In dit verband heeft appellante, onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 14 oktober 2010, 1466/07 (Brusco), LJN BO3656, betoogd dat voorafgaand aan en ook tijdens het verhoor door de sociale recherche het haar toekomende recht op bijstand van een advocaat is geschonden. Hierbij heeft zij tevens een beroep gedaan op de zogenoemde indruisjurisprudentie. Voorts heeft appellante aangevoerd dat zij tijdens het verhoor onder invloed van bewustzijnsvernauwende middelen verkeerde, dat de aanhouding door de sociale recherche een enorme inwerking op haar heeft gehad, en dat haar tijdens het verhoor door de sociale recherche woorden in de mond zijn gelegd.
  13. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  14. In dit geding moet worden beoordeeld of voor appellante is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Daarin is bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar dat achterwege is gebleven omdat de betrokkene de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van de ten onrechte verleende bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden. 4.
  15. Voor de vaststelling dat appellante hier die persoon is, is vereist dat zij in de periode van 1 december 2006 tot en met 30 november 2008 met M een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB heeft gevoerd. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht als de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren. 4.
  16. Vastgesteld moet worden dat appellante, na haar aanhouding op 9 december 2008, als verdachte is verhoord zonder bijzijn van een raadsman. De beroepsgrond van appellante dat haar verklaringen niet aan de besluitvorming van het college gebruikt ten grondslag hadden mogen worden gelegd, omdat niet voorafgaand aan en, als uitvloeisel van het arrest van het EHRM van 14 oktober 2010, 1466/07 (Brusco), LJN BO3656, ook niet tijdens het verhoor een raadsman aanwezig is geweest, slaagt niet. Nog daargelaten of een dergelijk recht in die vorm zonder meer voortvloeit uit genoemd arrest, gaat het in een zaak als deze, waarin een medeterugvordering van bijstand aan de orde is, niet om een strafrechtelijke procedure, zodat de beschermende werking van artikel 6, derde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zich niet tot appellante uitstrekt. Voor zover appellante heeft betoogd dat vanwege schending van artikel 6, derde lid, van het EVRM in de strafrechtelijke procedure, het mede daardoor verkregen bewijs naar vaste rechtspraak van de Raad niet door het college in de onderhavige procedure kan worden benut, nu dit bewijs is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht, slaagt dit betoog evenmin. Ook indien de door appellante in dit verband gestelde feiten en omstandigheden in onderling verband worden bezien, kan niet worden geoordeeld dat de hier gehanteerde verklaringen op een dergelijke wijze zijn verkregen. 4.
  17. De beroepsgrond van appellante dat zij tijdens het verhoor door de sociale recherche onder invloed verkeerde van bewustzijnsvernauwende middelen en dat zij om die reden niet aan haar verklaringen kan worden gehouden, slaagt ook niet. Allereerst is niet gebleken dat appellante voorafgaand aan het verhoor van het gebruik van dergelijke middelen melding heeft gemaakt. Voorts kan uit de voorhanden zijnde medische gegevens zonder een nadere verklaring of toelichting van een arts of medisch specialist niet worden afgeleid dat, als gevolg van het gebruik van deze middelen, de feitelijke inhoud van het door appellante verklaarde voor onwaar of onjuist moet worden gehouden. Hiervoor is te minder reden, omdat de verklaringen van M op het punt van het hoofdverblijf overeenstemmen met die van appellante. Uit de verklaringen van appellante kan evenmin worden afgeleid dat de aanhouding door de sociale recherche een zodanige inwerking op haar heeft gehad, dat zij om die reden niet aan haar verklaringen kan worden gehouden. Appellante heeft, blijkens haar verklaringen, immers bij het eerste verhoor al te kennen gegeven van de schrik (van de aanhouding) bekomen te zijn en heeft na bij het tweede en derde verhoor geconfronteerd te zijn met de eerder door haar afgelegde verklaring(en), te kennen gegeven daarop geen aanvullingen te hebben. 4.
  18. Appellante kan evenmin worden gevolgd in haar beroepsgrond dat de door haar afgelegde verklaringen niet juist zijn weergegeven, omdat haar tijdens het verhoor door de sociale recherche woorden in de mond zijn gelegd. Voor de gestelde wijze van verhoor en de verslaglegging daarvan heeft appellante geen bewijs aangedragen, terwijl daarvoor in de gedingstukken geen aanknopingspunten zijn te vinden. Niet is gebleken dat de gestelde wijze van verhoor heeft geleid tot wezenlijk andere verklaringen van appellante. Voorts heeft appellante de door haar afgelegde verklaringen, na deze te hebben doorgelezen, zonder voorbehoud en per pagina ondertekend. Er bestaat dus geen aanleiding om in dit geval af te wijken van de vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 17 januari 2012, LJN BV1783) dat in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en door een betrokkene ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking of wijziging van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. 4.
  19. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellante en M gedurende de in geding zijnde periode hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning aan de [adres 1] te [naam gemeente]. Hierbij dienen de door appellante en M afgelegde verklaringen doorslaggevend te worden geacht. Volgens de processen-verbaal van verhoor die de sociaal rechercheurs op ambtsbelofte en ambtseed hebben opgemaakt, hebben appellante en M beiden - samengevat - verklaard dat M van 1 december 2006 tot en met 30 november 2008 in de woning van appellante aan de [adres 1] te [naam gemeente] zijn hoofdverblijf heeft gehad. Hiervan heeft M aan het college geen mededeling gedaan. 4.
  20. Nu verlening van gezinsbijstand achterwege is gebleven omdat M de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is gegeven dat ten aanzien van appellante is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Het college was om die reden bevoegd de over de in geding zijnde periode gemaakte kosten van bijstand mede van appellante terug te vorderen. Appellante heeft de wijze van uitoefening van deze bevoegdheid niet bestreden. 4.
  21. Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
  22. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.F. Bandringa en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november
  23. (getekend) A.B.J. van der Ham (getekend) J. de Jong Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding. NK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.