← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY2968

11/5277 ZW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 augustus 2011, 10/6344 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 31 oktober 2012 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 19 september

  1. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
  3. Bij besluit van 7 februari 2007 heeft het Uwv appellant, na beëindiging van zijn dienstverband, met ingang van 11 januari 2007 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Daarbij is het dagloon van appellant vastgesteld op € 124,65 bruto per dag. 1.
  4. Bij besluit van 9 september 2008 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant met ingang van 23 juli 2008 beëindigd vanwege het bereiken van het einde van de 104 wekentermijn. 1.
  5. Bij besluit van 17 maart 2009 heeft het Uwv appellant met ingang van 24 augustus 2006 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend ten bedrage van € 705,26 bruto per maand. 1.
  6. Bij besluit van 13 november 2009 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hem over de periode van 11 januari 2007 tot 24 juli 2008 het volledige bedrag aan ziekengeld is uitbetaald, terwijl hij maar recht had op € 54,84 bruto per dag. Tevens is appellant meegedeeld dat het teveel betaalde ziekengeld zal worden verrekend met de aan hem toekomende verhoging van zijn WAO-uitkering. 1.
  7. Bij besluit van 16 juni 2010 (besluit 1) heeft het Uwv appellant meegedeeld dat het hem over de periode 11 januari 2007 tot 24 juli 2008 teveel betaalde ziekengeld niet verrekend kan worden met de verhoging van zijn WAO-uitkering, omdat die verhoging reeds aan appellant is betaald. Tevens is appellant meegedeeld dat zijn ziekengeld met ingang van 11 januari 2007 € 54,84 bruto per dag bedraagt. 1.
  8. Bij besluit van eveneens 16 juni 2010 (besluit 2) heeft het Uwv appellant meegedeeld dat van hem over de periode 11 januari 2007 tot en met 23 juli 2008 een brutobedrag van € 12.968,- aan teveel betaald ziekengeld wordt teruggevorderd. 1.
  9. Appellant heeft tegen beide besluiten van 16 juni 2010 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat het een herhaling is van hetgeen was neergelegd in het besluit van 13 november
  10. Het bezwaar tegen besluit 2 is ongegrond verklaard.
  11. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar tegen besluit 1 gegrond verklaard, omdat naar haar oordeel, voor zover het betreft het terugkomen op het besluit om tot verrekening over te gaan, wel sprake is van een besluit dat op zelfstandig rechtsgevolg is gericht. De rechtbank heeft vervolgens de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand gelaten. Daartoe is overwogen dat tussen partijen vaststaat dat appellant over de periode 11 januari 2007 tot en met 23 juli 2008 ten onrechte het volledige ziekengeld heeft ontvangen, dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen en er geen sprake is van een dringende reden waardoor het Uwv van terugvordering had moeten afzien.
  12. Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte ervan uitgaat dat hij het volledige ziekengeld heeft ontvangen, aangezien het hem - ondanks meerdere verzoeken - niet duidelijk is geworden hoe het terugvorderingsbedrag tot stand is gekomen. Appellant meent dat ten onrechte een brutobedrag van hem wordt teruggevorderd en hij heeft herhaald dat hij erop mocht vertrouwen dat het teveel betaalde ziekengeld met zijn WAO-uitkering zou worden verrekend. Tot slot heeft appellant aangegeven dat hij door de handelwijze van het Uwv schade heeft geleden die hij vergoed wil zien.
  13. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  14. Appellant heeft tegen de besluiten van 7 februari 2007, 9 september 2008, 17 maart 2009 en 13 november 2009 geen bezwaar gemaakt. Daarmee staat in rechte vast dat appellant over de periode van 11 januari 2007 tot en met 23 juli 2008 een volledige ZW-uitkering heeft ontvangen van € 34.409,-, zijnde 400 dagen van € 87,26 bruto per dag. Aangezien appellant in die periode recht had op € 54,84 bruto per dag, is hem in deze periode € 12.968,- bruto teveel aan ziekengeld betaald. Het Uwv heeft aldus terecht het teveel betaalde ziekengeld van appellant teruggevorderd. 4.
  15. Ten aanzien van het standpunt van appellant dat hij erop mocht vertrouwen dat het teveel betaalde ziekengeld zou worden verrekend met de hem nog toekomende WAO-uitkering, wordt met de rechtbank vastgesteld dat niet is gebleken dat namens het Uwv aan appellant een onvoorwaardelijke en ondubbelzinnige toezegging ter zake is gedaan. 4.
  16. In zoverre appellant met zijn verwijzing naar het in hoger beroep ingebrachte rapport van de Nationale Ombudsman van 19 augustus 2011, 2011/253, een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, is er geen aanleiding hem daarin te volgen. Immers er is reeds daarom geen sprake van gelijke gevallen omdat in de zaak van appellant met betrekking tot zijn ZW-uitkering van meet af aan geen onduidelijkheid heeft bestaan inzake het teveel betaalde bedrag. 4.
  17. Met betrekking tot het standpunt van appellant inzake de terugvordering van een brutobedrag wordt gewezen op vaste rechtspraak van de Raad, onder meer de uitspraak van 14 oktober 2009, LJN BK
  18. Daarin is bepaald dat bij uitkeringen als de onderhavige terugvordering van een brutobedrag plaatsvindt wanneer de terugvordering betrekking heeft op een tijdvak dat inmiddels in fiscale zin is afgesloten. 4.
  19. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet is gebleken van een dringende reden op grond waarvan het Uwv van gehele of gedeeltelijke terugvordering had moeten afzien. Bovendien heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij door de “onzorgvuldige” behandeling van het Uwv - wat daar overigens van zij - ernstig gedupeerd is. Daarom bestaat voor het toekennen van een schadevergoeding geen aanleiding.
  20. Er is geen reden om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en H. Bolt en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober
  21. (getekend) J. Riphagen (getekend) D. Heeremans KR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.