← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY2977

10/6923 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 december 2010, 10/01700 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak 13 november

  1. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een nader stuk ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 2 oktober 2012, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant ontvangt vanaf 1999 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). 1.
  4. Op verzoek van het college heeft Aob Compaz een medisch en arbeidskundig onderzoek verricht bij appellant ter vaststelling van zijn arbeidsmogelijkheden. Aob Compaz is op 16 december 2009 tot de conclusie gekomen dat appellant structurele functionele beperkingen heeft en dat hij in staat is tot het deelnemen aan een traject. De bedrijfs- en verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant beperkingen ondervindt als gevolg van suikerziekte en een complicatie aan de nieren. Een duidelijke medische reden voor urenbeperking is niet aanwezig. De arbeidsdeskundige concludeert dat appellant, rekening houdend met zijn beperkingen, in staat is tot het verrichten van eenvoudige ongeschoolde werkzaamheden. De afstand tot de arbeidsmarkt is groot door het ontbreken van scholing en werkervaring en door een matige taalbeheersing. De arbeidsdeskundige adviseert sociale activering en reguliere bemiddeling na gewenning. 1.
  5. Bij besluit van 4 januari 2010 heeft het college aan appellant meegedeeld dat op hem in beginsel de arbeidsverplichtingen rusten die de WWB aan de bijstand verbindt. Het gaat om de verplichtingen dat hij: a.naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid probeert te vinden; b.als werkzoekende ingeschreven staat bij het UWV werkbedrijf; c.algemene geaccepteerde arbeid aanvaardt; d.inschakeling in de arbeid niet belemmert; e.meewerkt aan voorzieningen om weer een baan te vinden; f.meewerkt aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden om te werken. Bij het besluit van 4 januari 2010 heeft het college appellant van 1 december 2009 tot 1 december 2010 ontheffing verleend van de verplichtingen genoemd onder a tot en met c, onder handhaving van de overige verplichtingen. Hierna zal een nieuwe beoordeling plaatsvinden. 1.
  6. Bij besluit van 7 april 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 januari 2010 ongegrond verklaard.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  8. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant acht zich door zijn suikerziekte niet in staat om te voldoen aan de gehandhaafde verplichtingen. Hij bezoekt regelmatig zijn internist, diabetesverpleegkundige en diëtiste. Hij spuit insuline en hij gebruikt andere medicatie, zodat hij rust nodig heeft. Ontheffing voor de duur van één jaar is te kort. Het is niet aannemelijk dat zijn ziektebeeld zal verbeteren.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1 In artikel 9, eerste lid, van de WWB zijn de verplichtingen tot arbeidsinschakeling opgenomen. Artikel 9, tweede lid, van de WWB biedt het college de mogelijkheid om in individuele gevallen tijdelijk ontheffing te verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. 4.
  10. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het college zijn besluit op het advies van Aob Compaz heeft mogen baseren. De door de deskundigen gebezigde motivering is overtuigend. Het uitgebrachte advies geeft blijk van zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Met de beperkingen van appellant is in voldoende mate rekening gehouden. Appellant heeft niet met medische stukken onderbouwd dat zijn belastbaarheid niet toereikend is om deel te nemen aan een traject gericht op arbeidsinschakeling. Appellant heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij zodanig frequente medische consulten heeft dat hem geen verplichtingen kunnen worden opgelegd. 4.
  11. Zoals de Raad al meermalen heeft overwogen (CRvB 1 juni 2010, LJN BM7208) blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 9 van de WWB (Kamerstukken II, 2002–2003, 28870, nr. 3, pp. 5–8 en 38–41) dat het college zich bij de op te leggen verplichtingen tot inschakeling in de arbeid moet richten op de mogelijkheden die de betrokkene nog wel heeft en dat periodiek bezien moet worden of de situatie van de betrokkene is gewijzigd. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat het college beoordelings- en beleidsvrijheid toekomt bij de bepaling van de termijn van een tijdelijke ontheffing van de in artikel 9, eerste lid, van de WWB genoemde verplichtingen wegens dringende redenen. 4.
  12. Appellant wordt op grond van het advies van 16 december 2009 in staat geacht arbeid te verrichten. Het advies strekt ertoe dat appellant vanwege zijn afstand tot de arbeidsmarkt eerst deelneemt aan een traject sociale activering. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat het college de duur van de ontheffing in redelijkheid niet op één jaar heeft kunnen bepalen. 4.
  13. Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
  14. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.F. Bandringa en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november
  15. (getekend) A.B.J. van der Ham (getekend) J. de Jong HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.