11/728 ZW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 17 december 2010, 10/871 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 14 november
- PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E.A. van Wieren, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober
- Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma. OVERWEGINGEN
- Appellant heeft zich op 2 april 2009 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld wegens klachten na een auto-ongeval. Hij ontving destijds tevens een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke uitkering sinds 13 januari 2009 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% . Naar aanleiding van de onderhavige ziekmelding is aan appellant uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
- Appellant heeft op 4 januari 2010 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, die na onderzoek en mede op grond van inlichtingen van de behandelend neuroloog in zijn rapport van 13 januari 2010 concludeerde dat er geen reden was om appellant nog langer arbeidsongeschikt te achten. Bij besluit van 4 januari 2010 heeft het Uwv de ZW-uitkering dienovereenkomstig met ingang van 11 januari 2010 beëindigd.
- Bij besluit van 14 april 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 januari 2010 ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van 13 april 2010 van bezwaarverzekeringsarts T. Miedema.
- De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts uitgebrachte rapporten. De rechtbank zag geen aanknopingspunten het medisch onderzoek door deze artsen onzorgvuldig te achten of aan de juistheid van hun oordeel te twijfelen. De rechtbank heeft hierbij onder meer overwogen dat beide artsen na dossierstudie appellant op het spreekuur hebben onderzocht en informatie hebben ingewonnen bij de behandelend sector, terwijl de bezwaarverzekeringsarts nog een psychiatrische expertise, waarvan een neuropsychologisch onderzoek deel uitmaakte, heeft laten verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank is de door de bezwaarverzekeringsarts, mede op grond van de aldus verkregen informatie getrokken conclusie dat appellant op de datum in geding niet ongeschikt was voor de in het verleden aan hem voorgehouden functie van inpakker koekjes, voldoende onderbouwd. De door appellant aangevoerde beroepsgrond dat hem geen verwijt treft dat hij zich bij het ingestelde neuropsychologisch onderzoek niet coöperatief heeft opgesteld heeft de rechtbank, nu uit de stukken anders blijkt, niet gehonoreerd. Ook appellants stelling dat het Uwv ten onrechte heeft nagelaten bij revalidatie-arts S.E. Slikkerveer informatie in te winnen heeft de rechtbank verworpen, daarbij onder meer in aanmerking nemend dat appellant op de datum in geding niet bij deze arts in behandeling was en dat appellant ook zelf geen nadere informatie van deze arts heeft ingebracht.
- Hetgeen appellant in hoger beroep, bij wijze van herhaling van de in beroep aangevoerde gronden, heeft aangevoerd is geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen niet te onderschrijven. De bezwaarverzekeringsarts heeft, evenals de verzekeringsarts, een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellant en, met name gelet op vorenbedoeld psychiatrisch rapport, op verantwoorde wijze geconcludeerd dat appellant op de datum in geding niet buiten staat was voormelde functie te vervullen. Het namens appellant overgelegde rapport van 2 augustus 2012 van Altrecht Psychosomatiek bevat geen gegevens die erop wijzen dat de betrokken (bezwaar)verzekeringsarts de gezondheidstoestand van appellant ten tijde hier in geding verkeerd heeft beoordeeld. Ook in de kort voor de zitting per faxbericht ingekomen pagina’s van een stuk dat als concept is aangeduid en is gedateerd 7 december 2011 ziet de Raad geen aanknopingspunt voor een ander oordeel.
- Uit hetgeen onder 5 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Er zijn geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november
- (getekend) Ch. van Voorst (getekend) H.J. Dekker KR