← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY3157

11/615 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 december 2010, 10/7014 en 10/8348 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college) Datum uitspraak 30 oktober

  1. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P.J.P. Dietz de Loos, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september
  2. Appellant is verschenen. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN
  3. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  4. Appellant ontvangt vanaf 1 februari 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 30 augustus 2010 heeft appellant een trajectplan naar betaald werk ondertekend van Act4Work. Tevens heeft hij op die dag een introductiebijeenkomst bijgewoond, alwaar hem de regels van het traject zijn uitgelegd en hem is meegedeeld dat hij op maandag 6 september 2010 verwacht wordt bij de eerste training. Appellant is daar niet verschenen. Naar aanleiding hiervan is appellant op diezelfde dag uitgenodigd voor een “hoor- en wederhoorgesprek” op vrijdag 10 september 2010, onder meer om toe te lichten waarom hij de gemaakte afspraken niet is nagekomen. Appellant is ook op 10 september 2010 niet verschenen. 1.
  5. Bij besluit van 17 september 2010 heeft het college de bijstand met 100% verlaagd voor de duur van één maand, ingaande 1 oktober 2010 op de grond dat appellant niet heeft meegewerkt aan het traject Act4Work en zonder bericht niet is verschenen op het “hoor- en wederhoorgesprek”op 10 september
  6. 1.
  7. Bij besluit van 23 november 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 17 september 2010 ongegrond verklaard.
  8. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  9. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
  10. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het hier van belang zijnde wettelijke kader verwijst naar de aangevallen uitspraak. 4.
  11. Vaststaat dat appellant niet op de eerste afspraak voor het traject Act4Work op maandag 6 september 2010 is verschenen en evenmin is verschenen bij het “hoor- en wederhoorgesprek” op vrijdag 10 september
  12. Appellant heeft aangevoerd dat hij zich heeft afgemeld voor de afspraak van maandag 6 september 2010, door middel van het afgeven van een brief op vrijdag 3 september
  13. Het college heeft ontkend deze brief te hebben ontvangen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij deze brief heeft afgegeven, bijvoorbeeld door middel van een ontvangstbewijs. Appellant stelt verder dat hij per brief van 7 september 2010 kenbaar heeft gemaakt verhinderd te zijn voor het gesprek op 10 september
  14. Deze stelling heeft hij evenmin aannemelijk gemaakt. Appellant heeft in de brieven gemeld dat hij andere afspraken had, maar heeft dit echter onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd. Niet duidelijk is geworden met wie hij afspraken had, op welk tijdstip en wat de aard en de urgentie van die afspraken was. Hierdoor is niet gebleken dat deze afspraken in de weg stonden aan de start van het traject bij Act4Work op 6 september 2010 en het verschijnen bij het “hoor- en wederhoorgesprek” op 10 september
  15. 4.
  16. Gelet op 4.1 kan niet worden gezegd dat ten aanzien van het niet verschijnen op de afspraken van 6 en 10 september 2010 bij appellant elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, zodat het college gehouden was op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand van appellant overeenkomstig de Maatregelverordening Inkomensvoorzieningen van de gemeente Den Haag (Maatregelverordening) te verlagen. 4.
  17. In het betoog van appellant dat de maatregel een cumulatief karakter heeft en bovenop de eerder opgelegde maatregel van 30% over de maand september 2010 komt, is geen grond gelegen voor het oordeel dat de ernst van de gedragingen van appellant, de mate waarin appellant de gedragingen kunnen worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeerde het college aanleiding hadden moeten geven om met toepassing van artikel 2, tweede lid, van de Maatregelverordening de opgelegde maatregelen nader af te stemmen en te beperken tot een lager percentage. 4.
  18. In hetgeen appellant heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Maatregelenverordening, zodat het college niet bevoegd was van de verlaging van de bijstand af te zien. 4.
  19. Uit 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
  20. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en M. Hillen en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober
  21. (getekend) J.P.M. Zeijen (getekend) N.M. van Gorkum HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.