← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY3190

11/4280 ZW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 juni 2011, 11/498 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 14 november 2012 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 3 oktober 2012, waar partijen - appellante met bericht - niet zijn verschenen. OVERWEGINGEN

  1. Appellante is werkzaam geweest als medewerkster op een kinderdagverblijf voor 24 uur per week. Zij heeft zich per 12 september 2006 arbeidsongeschikt gemeld wegens psychische klachten. Bij besluit van 29 augustus 2008 is aan appellante per einde van de wachttijd, 9 september 2008, een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op minder dan 35%. Hierbij is overwogen dat appellante met inachtneming van de voor haar gestelde beperkingen, die zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 augustus 2008, geschikt werd geacht voor de geduide functies. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 januari 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 10 februari 2010 het beroep van appellante tegen dit besluit van 27 januari 2009 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend. Hangende het beroep tegen eerder genoemde beslissing op bezwaar heeft appellante zich op 16 maart 2009, vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet, ziek gemeld wegens hoofdpijnklachten en pijnklachten aan beide handen, ten gevolge van een haar overkomen busongeval. Naar aanleiding hiervan heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen.
  2. Bij verklaring van arbeidsgeschiktheid van 6 juli 2009 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij met ingang van 1 augustus 2009 weer geschikt is om haar werk te verrichten. Bij besluit van 5 november 2009 is het bezwaar van appellante tegen de hersteldverklaring per 1 augustus 2009 ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van bezwaarverzekeringsarts A. van den Broeke-Spieker en bezwaararbeidsdeskundige J. den Hartog ten grondslag. De rechtbank heeft bij uitspraak van 21 september 2010 het besluit van 5 november 2009 vernietigd, het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Naar het oordeel van de rechtbank kan de verklaring van geschiktheid van 6 juli 2009 niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieruit volgt dat tegen deze verklaring voor appellante geen bezwaar bij het Uwv openstond en het Uwv appellante ten onrechte in haar bezwaar ontvankelijk heeft geacht. Het Uwv heeft besloten te berusten in de uitspraak van de rechtbank.
  3. Bij besluit van 22 oktober 2010 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij per 1 augustus 2009 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de ZW omdat zij in staat wordt geacht haar arbeid te verrichten. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 december 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van bezwaarverzekeringsarts J.L.E. Tjon-A-Sam van 17 december 2010 ten grondslag, waarin deze verwijst naar de rapportage van zijn collega Van den Broeke-Spieker.
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  5. In hoger beroep benadrukt appellante - kort samengevat - dat zowel haar lichamelijke als psychische beperkingen zijn onderschat en dat zij vanwege haar beperkingen niet in staat is haar arbeid te verrichten. Daarnaast stelt appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu het een beoordeling in het kader van de ZW betreft, de passendheid van de destijds in het kader van de WIA-beoordeling aan haar voorgehouden functies, niet ter discussie staat. Voorts stelt appellante dat indien wordt uitgegaan van de juistheid van de in de, door Van den Broeke-Spieker opgestelde, FML van 23 oktober 2009 beschreven beperkingen zij de functies productiemedewerker industrie en sorteerder/controleur, niet zou kunnen verrichten omdat de belasting van die functies haar belastbaarheid ten aanzien van het aspect 4.15 (het frequent hanteren van lichte voorwerpen) overschrijdt. Tot slot stelt appellante dat het Uwv onvoldoende gemotiveerd heeft waarom zij ondanks deze overschrijding van haar belastbaarheid in staat kan worden geacht deze functies te verrichten. 6.
  6. De Raad overweegt als volgt. 6.
  7. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de Wet WIA. 6.
  8. Het standpunt van appellante dat zowel haar lichamelijke als haar psychische beperkingen zijn onderschat wordt niet gevolgd. Bezwaarverzekeringsarts Van den Broeke-Spieker heeft op basis van bevindingen uit eigen onderzoek, bestaande uit dossierstudie, informatie van de appellante behandelend neuroloog, lichamelijk en psychisch onderzoek, vastgesteld dat sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van de destijds verrichte WIA-beoordeling en heeft aanleiding gezien de aanwezige beperkingen neer te leggen in de FML van 23 oktober
  9. Bezwaarverzekeringsarts Tjon-A-Sam heeft vervolgens in haar rapportages van 17 februari 2010 en 17 december 2010, mede gezien het feit dat het in de onderhavige zaak gaat om een ZW-beoordeling, de noodzaak tot het opstellen van een nieuwe FML in twijfel getrokken, maar de juistheid van de door bezwaarverzekeringsarts Van den Broeke-Spieker vastgestelde (toegenomen) beperkingen niet in twijfel getrokken. Nu door appellante in beroep noch in hoger beroep medische gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat zij meer beperkt is dan door de artsen van het Uwv is aangenomen, is er geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de in de eerder genoemde FML beschreven beperkingen. 6.
  10. Gelet op het vorenstaande dient in het onderhavige geschil dan ook de vraag te worden beantwoord of appellante ondanks haar beperkingen, zoals beschreven in de FML van 23 oktober 2009, per 1 augustus 2009, in staat geacht kan worden één van de destijds in 2006 in het kader van de WIA beoordeling aan haar voorgehouden functies te verrichten. 6.
  11. Onder verwijzing naar de rapportages van bezwaararbeidsdeskundige Den Hartog van 2 november 2009 en bezwaarverzekeringsartsen Van den Broeke-Spieker van 23 oktober en 4 november 2009 en Tjon-A-Sam van 17 februari en 17 december 2010 wordt deze vraag bevestigend beantwoord. Uit het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige blijkt dat, indien wordt uitgegaan van de beperkingen zoals beschreven in de FML van 23 oktober 2009, twee van de vier in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies niet langer voor appellante geschikt geacht kunnen worden. Naar de mening van de bezwaararbeidsdeskundige resteren de functies productie medewerker industrie (samenstellen van producten) met SBC-code 111180 en de functie van sorteerder, controleur met SBC-code
  12. De bezwaararbeids-deskundige heeft ten aanzien van de aspecten waarbij een eventuele overschrijding van appellantes belastbaarheid aan de orde zou zijn, waaronder aspect 4.15, een toelichting gegeven en voorts geconcludeerd dat beide functies voor appellante, per de datum hier in geding, geschikt zijn. De bezwaarverzekeringsartsen hebben vervolgens dit standpunt onderschreven. 6.
  13. Er is gelet op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding het standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige en bezwaarverzekeringsartsen, dat minimaal één van de in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies (bijvoorbeeld de functie sorteerder,controleur) per de datum hier in geding voor appellante geschikt is, onjuist te achten. 6.
  14. Hetgeen onder 6.1 tot en met 6.6 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden het ziekengeld van appellante met ingang van 1 augustus 2009 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
  15. Er zijn geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak; - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november
  16. (getekend) Ch. van Voorst (getekend) H.J. Dekker

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.