← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY3335

11/803 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2010, 10/423 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) [A. te B.] Datum uitspraak 16 november

  1. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. J. van Koesveld, advocaat, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober
  2. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.A. Loogman. Namens betrokkene is mr. Van Koesveld verschenen. OVERWEGINGEN 1.
  3. Naar aanleiding van haar ziekmelding in december 2005 in verband met een mammacarcinoom links, heeft het Uwv bij besluit van 30 november 2007 vastgesteld dat betrokkene met ingang van 12 december 2007 recht heeft op een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA) waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. 1.
  4. Bij brief van 3 maart 2009 is namens betrokkene verzocht om een uitkering ingevolge de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) omdat zij, in verband met een recidief mammacarcinoom, volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. 1.
  5. Naar aanleiding van deze melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft er een medisch onderzoek plaatsgevonden op 8 april 2009, waarbij de verzekeringsarts betrokkene heeft onderzocht en in verband met een aangekondigde operatie informatie heeft ingewonnen bij behandelend chirurg A.B. Kluit. Bij brief van 12 mei 2009 heeft Kluit meegedeeld dat betrokkene op 19 mei 2009 een curatieve behandeling zal krijgen, maar dat hij daarmee geen garantie kan geven voor de toekomst. Kluit geeft voorts aan dat een locoregionaal recidief een slechtere prognose impliceert en dat de vijfjaars overleving tussen de 40 en 65% ligt, wat niet zeer gunstig is. De verzekeringsarts heeft bij rapport van 3 juni 2009 geconcludeerd dat, hoewel de prognose van chirurg Kluit niet zeer gunstig genoemd kan worden, er niet gesproken kan worden van geen of geringe kans op herstel van mogelijkheden. Dit leidt er toe dat geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 23 september 2009 wordt meegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd 80 tot 100% is en dat de hoogte van de WGA-uitkering niet wijzigt. 2.
  6. Tegen het besluit van 23 september 2009 heeft betrokkene in bezwaar haar stelling herhaald dat zij niet alleen volledig, maar ook duurzaam arbeidsongeschikt is, zodat aan haar een IVA-uitkering had moeten worden toegekend. Betrokkene wenst erkenning van de aard en ernst van haar ziekte en kan niet jaarlijks geconfronteerd worden met verplichte herkeuringen. De ziekte trekt een zware wissel op haar fysieke maar ook haar geestelijke gesteldheid. Betrokkene wijst erop dat zij in maart 2009 reeds psychische klachten had waarvoor zij in november 2009 onder behandeling is gekomen van een psychiater. Betrokkene heeft nogmaals gewezen op de brief van chirurg Kluit van 12 mei 2009 met de daarin opgenomen zeer ongunstige prognose. Betrokkene heeft daarnaast gewezen op de intensieve behandeling (operatie met waarschijnlijk bestralingen en chemotherapie) die zij waarschijnlijk zal moet ondergaan. Het besluit is in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel tot stand gekomen. 2.
  7. Bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst heeft naar aanleiding van het door betrokkene gemaakte bezwaar dossierstudie verricht en op 17 december 2009 gerapporteerd aan de hand van de verschillende stappen van het door appellant vastgestelde beoordelingskader, genaamd: “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen”. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 17 december 2009 aangegeven dat de onder Stap 1 vermelde condities namelijk, a. een progressief ziektebeeld zonder behandelingsmogelijkheden of b. een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden, niet van toepassing zijn. In de te nemen volgende Stap 2 dient beoordeeld te worden of a. er een redelijke of goede verwachting is dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden; b. verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks te verwachten is. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangeven dat een (volgens het van toepassing zijnde oncologische protocol) ingezette behandeling tot verbetering van het ziektebeeld zal leiden, met daaraan parallel een verbetering van de belastbaarheid, zodat Stap 2a aan de orde is. Ook de impact die de ziekte heeft op haar geestelijke gesteldheid, maakt niet dat sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit 18 december 2009 (het bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 23 september 2009 ongegrond verklaard.
  8. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat, gelet op de uitspraak van de Raad van 4 februari 2009 (LJN BH1896), het betoog van appellant dat de bezwaarverzekeringsarts slechts naar de situatie op de datum in geding, 3 maart 2009, dient te kijken, gelet op eerdergenoemde uitspraak niet kan slagen. Het gaat om de deugdelijkheid van de prognose op het moment, zijnde 17 december 2009, waarop deze door de bezwaarverzekeringsarts werd gedaan, mede in het licht van het mogelijke resultaat van een (ingezette) medische behandeling. Voorts overweegt de rechtbank dat zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte heeft nagelaten te informeren naar de uitslag van het definitieve preparaat van de operatie die, zoals eerst door betrokkene ter zitting van de rechtbank is meegedeeld, was verschoven van mei naar juli
  9. De bezwaarverzekeringsarts had, mede gelet op hetgeen ter hoorzitting naar voren is gebracht, zowel ten aanzien van de uitslag van het definitieve preparaat van de operatie als ook ten aanzien van de psychische gesteldheid, navraag moeten bij de behandelend sector. Het besluit wordt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en het beroep wordt gegrond verklaard met opdracht aan appellant om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
  10. In hoger beroep heeft appellant - kort gezegd - aangevoerd dat in lijn met de rechtspraak van de Raad, gewezen wordt op de uitspraken van 4 februari 2009 (BH1986), 25 maart 2011 (BQ0097) en 1 oktober 2010 (BN9226), binnen het beoordelingskader door appellant is vastgesteld of bij betrokkene sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Daarbij is van belang informatie/medische gegevens die zien op de gezondheidstoestand van een verzekerde op de datum in geding. Gegevens die na de datum in geding bekend zijn geworden maar die zien op deze datum, worden ook daarbij betrokken. Appellant merkt op dat de rechtbank in haar uitspraak voorbij gaat aan de feitelijke datum in geding, zijnde 3 maart
  11. Wat betreft de beoordeling van de duurzaamheid, voert appellant aan dat eerst ter zitting van de rechtbank is vernomen dat de operatie van mei naar juli 2009 is verplaatst. In dat geval had de primaire verzekeringsarts, gelet op de datum van zijn rapport, geen informatie over het resultaat van de operatie kunnen opvragen. Evenmin had de bezwaarverzekeringsarts dit moeten doen nu deze gegevens geen betrekking hadden op de datum in geding. Dat geldt ook voor de psychische klachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat voor zover de psychische situatie van invloed zou zijn, deze invloed zich op een veel later tijdstip heeft doen gelden. Dat blijkt ook uit het feit dat betrokkene eerst in november 2009, ruim na 3 maart 2009, onder psychiatrische behandeling is gekomen. Tot slot stelt appellant dat noch in bezwaar en noch in (hoger) beroep nadere (medische) informatie door betrokkene is overgelegd.
  12. De Raad overweegt als volgt. 5.
  13. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek en zwangerschap en bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. 5.
  14. De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 (LJN BH1896) overwogen dat blijkens de wetgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Voorts heeft de Raad in deze uitspraak het niet onjuist geacht dat bij het maken van deze inschatting het in 2.2 genoemde beoordelingskader wordt gehanteerd bij het vaststellen van de volledige duurzaamheid. Daarnaast is in deze uitspraak overwogen dat, in het geval betrokkene bezwaar heeft gemaakt, de bezwaarverzekeringsarts de inschatting van de duurzaamheid dient te heroverwegen, rekening houdend met alle medische gegevens die in bezwaar voorhanden zijn en bekend geworden zijn, maar slechts voor zover die gegevens betrekking hebben op de datum met ingang waarvan de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid door het bestuursorgaan niet is aangenomen. In zijn uitspraak van 1 oktober 2010 (LJN BN9226) heeft de Raad in lijn met deze uitspraak overwogen dat indien een verzekerde in beroep komt van het besluit inzake de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, het aan de verzekerde is om zijn standpunt, dat de prognose van de bezwaarverzekeringsarts niet deugdelijk was, voldoende te onderbouwen met medisch informatie die hij niet in bezwaar heeft kunnen inbrengen en die een nieuw licht werpen op zijn gezondheidstoestand. In die uitspraak is benadrukt dat ook de bestuursrechter bij zijn beoordeling van de juistheid van het bestreden besluit informatie zal betrekken voor zover die betrekking heeft op de datum in geding. 5.
  15. Het oordeel van de rechtbank, dat het gaat om de deugdelijkheid van de prognose op het moment, zijnde 17 december 2009, waarop deze door de bezwaarverzekeringsarts deze stelt, volgt de Raad niet. Met appellant is de Raad van oordeel dat de vraag met betrekking tot de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid dient te worden beantwoord, uitgaande van de medische gegevens die betrekking hebben op de datum in geding van in dit geval 3 maart 2009, zijnde de dagtekening van de brief waarin namens betrokkene is meegedeeld dat zij, vanwege toegenomen arbeidsongeschikt, duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is. De omstandigheid dat - in het algemeen gesproken - artikel 7:11 van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) meebrengt dat in de bezwaarprocedure een volledige heroverweging dient plaats te vinden aan de hand van alle feiten en omstandigheden zoals die aan de orde zijn ten tijde van die heroverweging, staat - in lijn met de in 5.2 vermelde uitspraken van de Raad - niet in de weg aan dit oordeel. In de specifieke wettelijke context van de beoordeling van een aanspraak op een IVA-uitkering gaat het immers om de vraag of, uitgaande van de gegevens die betrekking hebben op de datum in geding, de prognose van de verzekeringsarts over die datum in rechte stand kan houden en niet over de gezondheidstoestand van een verzekerde zoals die zich uiteindelijk in de bezwaarprocedure feitelijk heeft ontwikkeld. 5.
  16. Met betrekking tot de onderzoeksplicht die op appellant lag, in het bijzonder de onderzoeksplicht van de bezwaarverzekeringsarts, overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts in een procedure als onderhavige alleen de door een verzekerde aangevoerde feiten en omstandigheden in bezwaar, die betrekking hebben op de datum in geding, alsmede andere relevante gegevens die voorhanden zijn over die datum, te betrekken in een volledige heroverweging. In beginsel ligt het op de weg van de bezwaarverzekeringsarts eigener beweging naar aanleiding van hetgeen in bezwaar is aangevoerd, nadere inlichtingen in te winnen. Echter, in een geval als onderhavige, waar betrokkene noch in bezwaar, noch in beroep dan wel hoger beroep enige medische informatie over de haar gestelde duurzaamheid van haar arbeidsongeschiktheid heeft verschaft en slechts persisteert bij haar stellingen, heeft de bezwaarverzekeringsarts op basis van de beschikbare gegevens over de datum in geding een heroverweging mogen maken aan de hand van hetgeen ter hoorzitting naar voren is gekomen en dossierstudie Zijn conclusie aan de hand van het Stappenplan is inzichtelijk en voldoende gemotiveerd in zijn rapport van 17 december 2009 en nog nader in hoger beroep in zijn rapport van 13 april
  17. De Raad merkt op dat ook op de zitting door of namens betrokkene geen duidelijkheid is verschaft omtrent de uitslag van de operatie noch omtrent de na de operatie gevolgde eventuele nabehandelingen en of daaraan gegevens konden worden ontleend die te herleiden zijn tot ook reeds de daarom in geding en derhalve van betekenis kunnen worden geacht voor de rechtsgeldigheid van de prognose. Dit geldt temeer omdat de raadsvrouw op de hoorzitting op 10 december 2009 heeft verklaard dat het nog onduidelijk is of er wordt nabehandeld en dat daar op dat moment in elk geval geen sprake van was. 5.
  18. Met appellant, en anders dan de rechtbank, is de Raad tot slot van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts, naar aanleiding van de mededeling ter hoorzitting dat betrokkene onder behandeling is gekomen van een psychiater, niet gehouden was te informeren bij deze psychiater. In zijn rapport van 17 december 2009 heeft hij overtuigend gemotiveerd dat de invloed van de psychische klachten zich eerst ruim na datum in geding hebben doen gelden. Ook ten aanzien van deze klachten heeft betrokkene in de bezwaar- noch in de beroepsprocedure informatie in het geding gebracht. 5.
  19. Uit de overwegingen 5.3 tot en met 5.
  20. vloeit voort dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit dient ongegrond verklaard te worden. Hieruit volgt tevens dat het verzoek van betrokkene om schadevergoeding moet worden afgewezen.
  21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep -vernietigt de aangevallen uitspraak; -verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond; -wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door J.W Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november
  22. (getekend) J.W. Schuttel (getekend) K.E. Haan JL

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.