12/5261 AW-VV Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (verzoeker) [A. te B. ] (betrokkene) Datum uitspraak: 12 november 2012 PROCESVERLOOP Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 23 augustus 2012, 12/1177, 12/1178 en 12/1179 (aangevallen uitspraak). Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober
- Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.R.M. Berends-Schellens, drs. L.K. de Koekkoek en drs. A. Schledorn. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Aantjes. OVERWEGINGEN
- Betrokkene was sinds 1977 in dienst bij de gemeente Alkmaar. Sinds 1 juli 1982 was zij werkzaam bij [werkgever] Op 1 juli 2008 is een organisatieplan voor [werkgever] vastgesteld. De organisatie is gewijzigd in een organisatie met twee afdelingen met een managementlaag bestaande uit een directeur en twee afdelingshoofden. 1.
- Op 15 november 2010 is het Strategisch Personeelsplan (SPP) tot stand gekomen. Daarin is vermeld dat tot 2018 plaats is voor twee projectleiders. In een aangepaste versie van het SPP van 10 mei 2011 is vermeld dat slechts plaats is voor één projectleider. Op 19 mei 2011 heeft directeur [K.] geadviseerd om de functie van betrokkene per 1 juli 2011 wegens een beperkte reorganisatie te schrappen, een re-integratieperiode van 15 maanden toe te kennen en betrokkene gedurende die periode (tot 1 oktober 2012) vrij te stellen van werkzaamheden. Bij brief van 31 mei 2011 heeft verzoeker betrokkene meegedeeld dat haar functie per 1 juli 2011 definitief komt te vervallen en dat verzoeker voornemens is haar, na een re-integratiefase van 15 maanden waarin zij is vrijgesteld van werkzaamheden, per 1 oktober 2012 ontslag te verlenen. 1.
- Bij besluit van 11 juli 2011 is betrokkene met ingang van 15 oktober 2012 ontslag verleend onder handhaving van de vrijstelling van werkzaamheden om betrokkene in staat te stellen re-integratieactiviteiten te verrichten. Op 27 september 2011 is een re-integratieplan als bedoeld in artikel 10d:9 van de CAR/LAR vastgesteld. 1.
- Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het ontslag en de vrijstelling van de werkzaamheden. Naar aanleiding van de hoorzitting heeft zij verzoeker verzocht om haar toe te laten tot haar eigen werk dan wel een besluit te nemen over de op non-actiefstelling of de vrijstelling van de arbeid. Bij brief van 9 maart 2012 heeft verzoeker het verzoek van betrokkene afgewezen en heeft hij opgemerkt niet te willen terugkomen van het trajectplan. Daartegen heeft betrokkene bezwaar gemaakt. 1.
- Bij besluit van 23 april 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 11 juli 2011, onder wijziging van de ontslagdatum in 12 juli 2013, ongegrond verklaard. Daartegen heeft betrokkene beroep ingesteld; tevens heeft zij een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het ontslagbesluit van 11 juli 2011 herroepen. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat niet is gebleken dat de functie van betrokkene is opgeheven. Onder de stukken bevindt zich slechts een intern stuk waarin het voorstel van [K.] is geparafeerd. Evenmin is in de gedingstukken een feitelijke onderbouwing te vinden voor het oordeel dat het samenstel van werkzaamheden is komen te vervallen. Uit de gedingstukken heeft de voorzieningenrechter afgeleid dat de omslag in de visie over de functie van betrokkene is ingegeven door de wens om te voldoen aan de opgelegde bezuinigingsopgave. Indien die noodzaak er is, ligt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van de organisatie om de daarvoor geëigende weg te bewandelen. Nu opheffing van de functie niet voortvloeit uit het vervallen van het samenstel aan werkzaamheden was verzoeker niet bevoegd om betrokkene ontslag te verlenen op grond van artikel 8:3 van de CAR/LAR.
- Verzoeker heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en tevens de Raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van de werking van de aangevallen uitspraak. Verzoeker heeft daarbij naar voren gebracht dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat wel degelijk een opheffingsbesluit is genomen en wel door de gemeentesecretaris op 19 mei
- Dit besluit is de grondslag geweest voor het ontslagbesluit. Nu de functie is opgeheven, kan om die reden geen uitvoering worden gegeven aan de aangevallen uitspraak. Daarvoor zou het besluit van 19 mei 2011 ongedaan moeten worden gemaakt. Hiervoor is geen grondslag aanwezig. Verzoeker acht zich voorts niet vrij betrokkene te plaatsen in een andere functie dan wel haar op te dragen te voldoen aan de re-integratieverplichtingen. De grondslag voor de noodzakelijke besluitvorming ontbreekt, terwijl de bezoldiging volledig moet worden doorbetaald. Het spoedeisend belang van de voorlopige voorziening is dan ook gelegen in de patstelling die is ontstaan.
- De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 4.
- Vooropgesteld wordt dat de enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar de mening van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven, op zichzelf niet een voldoende grondslag vormt voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. De wetgever heeft immers aan het instellen van hoger beroep in zaken als de onderhavige uitdrukkelijk geen schorsende werking willen toekennen en daarmee het risico van mogelijke problemen bij de naleving van een in hoger beroep aangevochten uitspraak bij het betrokken bestuursorgaan gelegd. Weliswaar zijn gevallen denkbaar waarin de bij de uitvoering van een uitspraak betrokken belangen dermate zwaarwegend zijn, dat aan de hand van een voorlopig oordeel omtrent de mate van waarschijnlijkheid dat die uitspraak in stand zal kunnen blijven wordt bezien of voor doorbreking van het door de wetgever gewenste stelsel in het concrete voorliggende geval aanleiding bestaat, maar daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval geen sprake. 4.
- Niet valt in te zien dat naleving van de aangevallen uitspraak leidt tot voor verzoekers organisatie onoverkomelijke (financiële) problemen of onverantwoorde risico’s. Het ontslag van betrokkene gaat immers eerst in per 1 juli 2013, zodat op dit moment geen financiële risico’s zijn verbonden aan een terugkeer van betrokkene. Ook het gegeven dat de functie van betrokkene wel zou zijn opgeheven, en een grondslag zou ontbreken voor nadere besluitvorming, vormt geen grond voor het aannemen van een zodanig spoedeisend belang. In dat verband overweegt de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar de uitspraak van 16 mei 2011, LJN BQ6602, dat het in een situatie als hier aan de orde eventueel niet voorhanden zijn van een passende functie en de consequenties daarvan omstandigheden zijn die behoren tot het normale risico van een bestuursorgaan. In zodanige omstandigheden kan dus geen reden zijn gelegen om de werking van de aangevallen uitspraak te schorsen. Ten slotte kan ook het verlopen van de re-integratietermijn niet als zodanig worden aangemerkt. Door de uitspraak van de voorzieningenrechter is het ontslag ongedaan gemaakt waardoor het trajectplan geen verdere uitvoering behoeft, zodat de daarbij behorende re-integratietermijn niet zal verlopen. In het bodemgeschil kan zo nodig aan de orde komen welke gevolgen de te treffen uitspraak heeft voor de eventueel in acht te nemen re-integratietermijn. Een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt dan ook in zoverre. 4.
- Gezien het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd niet een voldoende spoedeisend belang. Het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb zal daarom worden afgewezen.
- De voorzieningenrechter ziet tot slot aanleiding om verzoeker op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 874,- aan kosten van rechtsbijstand. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep - wijst het verzoek om voorlopige voorziening af; - veroordeelt verzoeker in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 874,-. Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november
- (getekend) K.J. Kraan (getekend) S.K. Dekker