11/5086 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 augustus 2011, 11/69 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B. ] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 14 november 2012 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober
- Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs. OVERWEGINGEN
- Appellante heeft zich op 29 september 2008, vanuit een situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidwet (WW) ontving, ziek gemeld wegens diverse lichamelijke klachten. Bij besluit van 29 oktober 2008 heeft het Uwv per 30 oktober 2008 (verdere) uitkering van ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd. Bij besluit op bezwaar van 5 december 2008 heeft het Uwv dit besluit gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep van appellante daartegen bij uitspraak van 23 april 2009 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 september 2010, LJN BN7170, heeft de Raad de uitspraak van 23 april 2009 in hoger beroep bevestigd.
- Het Uwv heeft over de periode van 22 december 2008 tot en met 8 november 2009 aan appellante abusievelijk ziekengeld uitbetaald. Bij besluit van 3 augustus 2010 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat het ziekengeld over de periode van 22 december 2008 tot en met 8 november 2009 ten bedrage van bruto € 4.888,87 ten onrechte is uitbetaald en dat dit bedrag wordt teruggevorderd.
- Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat het Uwv aan appellante een bedrag van € 4.888,87 te veel ziekengeld heeft uitbetaald. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich voorts op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat geen dringende redenen aanwezig zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Appellante heeft weliswaar gesteld dat de terugvordering leidt tot financiële problemen, maar dit is niet nader onderbouwd.
- Appellante heeft in hoger beroep haar stelling herhaald dat, op grond van de aard en de omvang van de gemaakte fout en de ingrijpende gevolgen voor haar, zou moeten worden afgezien van terugvordering.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 6.
- In artikel 33, eerste lid, van de ZW is bepaald dat het ziekengeld en hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt teruggevorderd. Op grond van artikel 33, vierde lid, van de ZW kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. 6.
- Volgens vaste rechtspraak is een dringende reden voor het Uwv om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien niet gelegen in factoren die hebben geleid tot het ontstaan van de terugvordering. De wetgever heeft met de dringende redenen van artikel 33, vierde lid, van de ZW volgens de wetsgeschiedenis immers slechts het oog gehad op de onaanvaardbaarheid van de sociale en financiële gevolgen van een terugvordering voor een betrokkene. 6.
- De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak met juistheid geoordeeld dat niet is gebleken van dringende redenen. De overwegingen van de rechtbank daarover worden onderschreven. De rechtbank heeft in dit verband nog terecht overwogen dat door het Uwv gemaakte fouten en gedane toezeggingen geen dringende reden kunnen opleveren omdat deze omstandigheden niet zien op de gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft maar op het ontstaan ervan. Ook in hoger beroep heeft appellante geen omstandigheden aangevoerd die zien op de gevolgen die de terugvordering voor haar heeft. Dat appellante financiële gevolgen van de terugvordering ondervindt is evident, maar zij heeft in de aard en de omvang van deze gevolgen geen inzicht verschaft en daarmee niet aangetoond dat deze onaanvaardbaar zijn. 6.
- De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
- Voor een proceskostenveroordeling van het Uwv bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november
- (getekend) H.G. Rottier (getekend) M.R. Schuurman