11/602 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 december 2010, 10/2589 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college) Datum uitspraak: 20 november 2012 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. L. van den Buijs, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september
- Voor appellant is mr. Van den Buijs verschenen. Het college heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant ontvangt vanaf 15 maart 2005 bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). 1.
- In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand heeft op 30 juli 2009 een gesprek plaatsgevonden tussen een medewerker van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten (Dienst SZW) van de gemeente ’s-Gravenhage en appellant. Appellant deelde in dat gesprek mee rugklachten te hebben, die hem belemmeren om te werken. De Dienst SZW heeft daarop een onderzoek laten instellen naar de arbeidsmogelijkheden van appellant. Appellant is op 4 september 2009 medisch gekeurd door Achmea Vitale. De conclusie van dit onderzoek is dat appellant, met inachtneming van de voor hem vastgestelde medische beperkingen, belastbaar is voor reguliere arbeid en maatschappelijke participatie voor twintig uur per week, opbouwend naar dertig uur per week na zes maanden en fulltime binnen één jaar. Het arbeidsdeskundig onderzoek is uitgebleven, omdat appellant zich heeft afgemeld voor de afspraken bij de arbeidsdeskundige op 19 oktober 2009 en 16 november
- Hij heeft nadien niet gereageerd op een oproep van de Dienst SZW om vóór 21 november 2009 contact op te nemen met zijn bijstandsconsulent voor een gesprek over hoor en wederhoor in verband met het activeringsonderzoek. Appellant heeft verder geen gehoor gegeven aan de oproep van 20 november 2009 om vóór 4 december 2009 contact op te nemen met zijn bijstandsconsulent. 1.
- Het college heeft daarop het recht op bijstand van appellant bij besluit van 4 december 2009 met ingang van 1 november 2009 opgeschort. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant niet heeft gereageerd op een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen, waardoor hij onvoldoende heeft meegewerkt aan een onderzoek naar de vraag of hij nog steeds recht heeft op bijstand. Het college heeft appellant in de gelegenheid gesteld vóór 18 december 2009 contact op te nemen met zijn bijstandsconsulent om het verzuim te herstellen. Tevens is appellant erop gewezen dat zijn uitkering verlaagd kan worden indien hij niet aan het verzoek voldoet. Appellant heeft niet aan die oproep voldaan. 1.
- Bij besluit van 19 december 2009 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2009 ingetrokken op de grond dat appellant geen gebruik heeft gemaakt van de hem in het besluit van 4 december 2009 geboden mogelijkheid om het verzuim te herstellen. 1.
- Bij besluit van 8 maart 2010 heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 4 december 2009 en 19 december 2009 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant, door in het kader van het rechtmatigheidsonderzoek geen medewerking te verlenen aan het arbeidsdeskundig onderzoek, gehandeld heeft in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting. 2.
- Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 8 maart
- Hangende dit beroep heeft het college bij besluit van 4 oktober 2010 (bestreden besluit), het besluit van 8 maart 2010 ingetrokken en het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat het college in het besluit van 8 maart 2010 een onjuist wettelijk kader heeft gehanteerd. Het college verwijt appellant niet dat hij onvoldoende medewerking heeft verleend in het kader van een onderzoek naar het recht op bijstand, maar verwijt hem onvoldoende medewerking te hebben verleend in het kader van een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling in de zin van artikel 9, eerste lid, van de WWB. Het college heeft de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2010 met 30% verlaagd voor de duur van één maand. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 8 maart 2010 mede gericht geacht tegen het bestreden besluit. 2.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 maart 2010 niet-ontvankelijk en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat het bestreden besluit eerst acht dagen voor de zitting bij de rechtbank aan hem is toegezonden, waardoor hij onvoldoende de gelegenheid heeft gehad zijn zienswijze over dit besluit naar voren te brengen. Ten aanzien van de maatregel heeft appellant naar voren gebracht dat het college hem ten onrechte verwijt dat hij niet mee wilde werken aan het arbeidsdeskundig onderzoek, dat de maatregel een punitief karakter draagt en dat het college had moeten volstaan met het geven van een waarschuwing.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. De late inzending van het bestreden besluit 4.
- Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door de inzending van het bestreden besluit binnen de termijn van tien dagen zoals bedoeld in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in zijn processuele belangen is geschaad. Ter zitting van de rechtbank heeft de kantoorgenoot van de gemachtigde van appellant, mr. E.A. Breetveld, geen bezwaar gemaakt tegen de late inzending van het bestreden besluit. Voorts heeft mr. Breetveld ter zitting uiteengezet dat het geding allereerst een feitenkwestie is. De vaststelling van deze feiten is reeds vanaf het begin van de procedure in geding. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om de aangevallen uitspraak wegens de late inzending van het bestreden besluit te vernietigen. Maatregel 4.2.
- Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. 4.2.
- Partijen zijn verdeeld over de vraag of appellant verwijtbaar niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Uit de gedingstukken komt het volgende naar voren. Op appellant zijn de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB van toepassing. Appellant heeft de afspraken bij de arbeidsdeskundige van 19 oktober 2009 en 16 november 2009 afgebeld vanwege ziekte. Uit een mail van 16 november 2009 van de teamassistente van Achmea Vitale aan de bijstandsconsulent van appellant blijkt dat de teamassistente appellant tijdens het telefoongesprek op 16 november 2009 tot tweemaal toe heeft verzocht contact op te nemen met zijn bijstandsconsulent. Appellant heeft dit geweigerd en hij heeft te kennen gegeven zijn eigen plan te trekken met de arts. Appellant heeft voorts niet gereageerd op het verzoek van zijn bijstandsconsulent van 16 november 2009 om vóór 21 november 2009 contact op te nemen met haar voor hoor en wederhoor in verband met het activeringsonderzoek. Appellant is tijdens een telefoongesprek met zijn bijstandsconsulent op 27 november 2009 niet ingegaan op de hem geboden kans om alsnog mee te werken aan een arbeidskundig onderzoek. In reactie op de blokkering van de bijstand met ingang van 1 november 2009 heeft appellant het college bij brief van 30 november 2009 verzocht de betaling van de bijstand te hervatten. Daarbij heeft hij het volgende aangegeven ‘men is ziek en jullie maken de persoon nog zieker. Laat mij met rust. Kijk goed naar de medische papieren of bel naar mijn huisarts’. Uit de rapportage bijstand van 14 december 2009 blijkt dat appellant tijdens een telefonisch gesprek met zijn bijstandsconsulent op 7 december 2009 volhardt in zijn weigering deel te nemen aan het arbeidsdeskundig onderzoek, omdat hij zich medisch niet in staat acht te werken. De mededeling van zijn consulent dat tijdens het arbeidsdeskundig onderzoek specifiek gekeken wordt naar zijn beperkingen in relatie tot arbeid hebben appellant niet kunnen bewegen daaraan deel te nemen. Daarmee is vast komen te staan dat appellant verwijtbaar onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling in de zin van artikel 9, eerste lid, onder b van de WWB. De stelling van appellant dat hij wel degelijk bereid was mee te werken aan het arbeidsdeskundig onderzoek vindt geen steun in de gedingstukken. Het college was, gelet op artikel 18, tweede lid, van de WWB, dan ook in beginsel gehouden de bijstand van appellant te verlagen. Het college heeft de gedraging terecht gekwalificeerd als een gedraging van de eerste categorie als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef, en onder c van de Maatregelenverordening Inkomensvoorzieningen (Verordening), het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. 4.
- Het college heeft de hoogte en de duur van de verlaging van de bijstand in overeenstemming met artikel 11, eerste lid, onder a van de Verordening bepaald op 30% voor de duur van één maand. 4.
- De stelling van appellant dat het college op grond van de Verordening had kunnen volstaan met het geven van een schriftelijk waarschuwing in plaats van een maatregel van 30% en niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom van het opleggen van een waarschuwing is afgezien, treft geen doel. Het college heeft in het bestreden besluit uiteengezet dat de maatregel gelet op de ernst van het feit, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van appellant passend wordt geacht en dat er geen reden is om de hoogte van de maatregel lager vast te stellen of de duur ervan te bekorten. Hierin ligt besloten dat het college het opleggen van een waarschuwing, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, niet passend heeft geacht. 4.
- Appellant heeft aangevoerd dat de maatregel pas op 4 oktober 2010, de datum van het bestreden besluit, is opgelegd en dat toen het doel van die maatregel niet meer kan worden bereikt, omdat appellant inmiddels in het kader van een nieuwe bijstandsaanvraag wel medewerking had verleend aan een onderzoek door een arbeidsdeskundige. Volgens appellant heeft de maatregel daarmee een punitief karakter gekregen. Deze beroepsgrond treft geen doel. De maatregel heeft tot doel de arbeidsopstelling van appellant te verbeteren en zijn uitstroom naar werk te bevorderen. De omstandigheid dat appellant in augustus 2010 in het kader van een nieuwe bijstandsaanvraag wel zijn medewerking heeft verleend aan een onderzoek door een arbeidsdeskundige, betekent niet dat het opleggen van een maatregel geen enkele zin meer had. Zo lang de bijstandsverhouding tussen appellant en het college in stand blijft, kan de maatregel bijdragen aan een goede arbeidsopstelling van appellant en zijn uitstroom naar werk bevorderen. 4.
- Uit het vorenstaande volgt dat de maatregel stand kan houden en dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november
- (getekend) A.B.J. van der Ham (getekend) J.T.P. Pot HD