← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY3796

12/2601 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2012, 11/4890 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 21 november 2012 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober

  1. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant was 38 uur per week werkzaam als bankwerker toen hij zich per 2 december 2010 voor dit werk heeft ziek gemeld met psychische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant op 3 januari 2011 en 7 juni 2011 het spreekuur bezocht van de arts R.G.J. van der Voort van het Uwv. Deze arts is, op basis van zijn bevindingen uit het laatstelijk door hem verrichte onderzoek, tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 14 juni 2011 geschikt wordt geacht voor zijn laatst verrichte werk als bankwerker. Bij besluit van 7 juni 2011 heeft het Uwv dienovereenkomstig met ingang van 14 juni 2011 het recht op ziekengeld beëindigd. 1.
  3. Na herbeoordeling door bezwaarverzekeringsarts R.M.J. Janssens heeft het Uwv bij besluit van 7 juli 2011 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 juni 2011 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend 1.
  4. Aan appellant is na beëindiging van zijn uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) door het Uwv een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Vanuit deze situatie heeft appellant zich per 29 juli 2011 wederom ziek gemeld met psychische klachten en lage rugklachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant op 5 september 2011 het spreekuur bezocht van verzekeringsarts H.M. van Beekum. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 6 september 2011 weer geschikt geacht wordt voor het verrichten van zijn arbeid. Bij besluit van 5 september 2011 heeft het Uwv dienovereenkomstig met ingang van 6 september 2011 het recht op ziekengeld beëindigd. 1.
  5. Na herbeoordeling door bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest heeft het Uwv bij besluit van 13 oktober 2011 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 september 2011 ongegrond verklaard.
  6. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat, gelet op de wijze waarop de bezwaarverzekeringsarts haar conclusie heeft onderbouwd - mede op basis van rugscans van de behandelend chiropractor - alsmede gelet op de overige gedingstukken, er sprake is van een voldoende zorgvuldig onderzoek dat de getrokken conclusie kan dragen. Daarnaast heeft de rechtbank van belang geacht dat de bezwaarverzekeringsarts, op basis van de voorhanden zijnde medische informatie heeft vastgesteld dat er, anders dan appellant heeft aangegeven, geen sprake is van een zenuwbeknelling. In haar rapport van 12 oktober 2011 heeft de bezwaarverzekeringsarts geconstateerd dat bij appellant een normale rugfunctie gevonden is, zodat geen sprake is van beperkingen ten aanzien van de rugbelasting. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de in beroep door appellant overgelegde informatie niet blijkt dat de artsen van het Uwv de gezondheidstoestand van appellant onjuist hebben beoordeeld. Dat appellant al jaren bekend is met rugklachten, zoals beschreven door de chiropractor, was bekend en hiermee is bij het opstellen van de medische rapportages rekening gehouden.
  7. In hoger beroep voert appellant - samengevat - aan dat zijn psychische en rugbeperkingen zijn onderschat. Appellant stelt dat zijn beperkingen zijn toegenomen ten opzichte van de eerdere vaststelling van zijn beperkingen in juni 2011, dit mede vanwege een hem in mei 2011 overkomen rugblessure. Door het Uwv en de rechtbank is onvoldoende waarde toegekend aan het rapport van het Spine & Joint Centre van 19 december
  8. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij per de datum in geding, vanwege zijn rug- en psychische klachten, niet in staat was zijn eigen werk te verrichten. Ter onderbouwing heeft appellante medische gegevens en een WSW-indicatie van 11 november 2011 overgelegd 4.
  9. De Raad oordeelt als volgt. 4.
  10. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. 4.
  11. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad is het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig geweest. Verzekeringsarts Van Beekum heeft het dossier bestudeerd en appellant op het spreekuur van 5 september 2011 onderzocht. Daarnaast heeft hij kennisgenomen van het door appellant overgelegde huisartsenjournaal betreffende de periode 5 mei 2011 tot en met 2 september
  12. Dit geheel overziend heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellant, gezien het ontbreken van relevante afwijkingen, weer geschikt wordt bevonden voor zijn eigen werk. Bezwaarverzekeringsarts Van Geest, die appellant eveneens heeft onderzocht, heeft de bevindingen van de verzekeringsarts onderschreven. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij uitgebreid aandacht besteed aan de door appellant geclaimde klachten en de in bezwaar ingebrachte informatie van de behandelend sector. In het kader van de beroepsprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 16 november 2011, in reactie op het beroepschrift en de als bijlage bijgevoegde stukken, gemotiveerd waarom appellants gronden geen aanleiding zijn voor het innemen van een ander standpunt 4.
  13. De door appellant in hoger beroep ingebrachte informatie biedt onvoldoende aanknopingspunten om aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts te twijfelen. In dit verband wordt het in hoger beroep gegeven commentaar van bezwaarverzekeringsarts Van Geest, zoals neergelegd in het rapport van 26 september 2012, onderschreven. In dit rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts, rekening houdende met en verwijzend naar de informatie van het Spine & Joint Centre, van psycholoog Van Heck en van bedrijfsarts Stroink, gemotiveerd waarom deze informatie geen aanleiding geeft tot wijziging van het eerder ingenomen standpunt. Daarbij stelt de bezwaarverzekeringsarts dat er door het Spine & Joint Centre geen ernstige geobjectiveerde orthopedische en/of neurologische afwijkingen zijn aangetoond op grond waarvan er beperkingen ten aanzien van appellants belastbaarheid aan de orde zijn. Dit laatste geldt, zo stelt de bezwaarverzekeringsarts, ook ten aanzien van appellants psychische klachten nu op de datum in geding geen sprake was van een psychiatrisch ziektebeeld waarvoor hij onder behandeling was of medicatie gebruikte. 4.
  14. Gezien de uitvoerig en inzichtelijk gemotiveerde toelichting van de bezwaarverzekeringsarts, zoals beschreven onder 4.4 is er geen aanleiding om, zoals ter zitting door appellant verzocht, een nader onderzoek door een neurochirurg te gelasten. 4.
  15. Ten aanzien van de door appellant overgelegde WSW-indicatie wordt geoordeeld dat de criteria die worden aangelegd bij de WSW-beoordeling niet dezelfde zijn als die gelden bij een beoordeling van de geschiktheid tot het verrichten van arbeid. Nu voorts niet is gebleken dat de (bezwaar)verzekeringsarts niet op de hoogte was van alle relevante medische gegevens, waaronder de medische informatie die tot de WSW-indicatie heeft geleid, kent de Raad aan deze indicatie niet die betekenis toe die appellant daaraan toegekend wenst te zien.
  16. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  17. Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november
  18. (getekend) C.P.J. Goorden (getekend) D.E.P.M. Bary

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.