11/2537 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 maart 2011, 10/4046 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 21 november 2012 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober
- Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. De Hoop. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant, laatstelijk werkzaam als projectleider civiele techniek/senior medewerker beleid en projecten bij de Gemeente Bunschoten, heeft zich per 30 december 2009 ziek gemeld vanwege psychische klachten. In verband daarmee is hem een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Het dienstverband van appellant bij de Gemeente Bunschoten is per 16 maart 2010 beëindigd. Bij besluit van 9 september 2010 is appellants ZW-uitkering met ingang van 30 september 2010 beëindigd omdat hij op en na deze datum niet meer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. 1.
- Bij besluit van 11 november 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 september 2010 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van bezwaarverzekeringsarts W. Langerak van 9 november 2010 ten grondslag. Deze arts heeft het dossier bestudeerd, is aanwezig geweest bij de hoorzitting op 13 oktober 2010, heeft appellant aansluitend aan de hoorzitting medisch onderzocht en heeft informatie van de behandelend psycholoog J.W.F. de Vreede bij haar beoordeling betrokken.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat appellant op goede gronden met ingang van 30 september 2010 arbeidsgeschikt wordt geacht voor zijn arbeid. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de primaire verzekeringsarts appellant heeft onderzocht en informatie heeft ingewonnen bij de huisarts. De bezwaarverzekeringsarts Langerak heeft appellant eveneens onderzocht en medische informatie ingewonnen bij de behandelend psycholoog. De in beroep overgelegde informatie van de behandelend psycholoog is beoordeeld door bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel, die tot de conclusie is gekomen dat op de datum in geding geen sprake was van een psychiatrische stoornis in engere zin. Het Uwv is dan ook van oordeel gebleven dat appellant arbeidsgeschikt is te achten per 30 september
- Nu het de specifieke deskundigheid van de (bezwaar)verzekeringsarts is om op basis van medisch objectiveerbare klachten de beperkingen van appellant ter zake van arbeid vast te stellen en de door appellant overgelegde informatie niet afkomstig is van een arts, heeft de rechtbank aan de door de (bezwaar)verzekeringsarts opgestelde rapportages doorslaggevende betekenis toegekend. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de conclusies die de (bezwaar)verzekeringsarts heeft getrokken inzichtelijk en goed te volgen zijn.
- In hoger beroep heeft appellant (kort samengevat) zijn standpunt herhaald dat hij op 30 september 2010 medisch niet geschikt was voor zijn arbeid. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant gewezen op de in bezwaar en beroep overgelegde rapportages van behandelend psycholoog De Vreede. Hij acht het uiterst onzorgvuldig dat bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel de conclusies van psycholoog De Vreede heeft afgewezen zonder dat hij appellant zelf heeft gezien.
- De Raad oordeelt als volgt. 4.
- Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW dient ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft als bedoeld in artikel 9, 10 of 12 onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid te worden verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. 4.
- Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. De rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen vormen een voldoende basis voor het standpunt dat appellant per 30 september 2010 geschikt is te achten voor zijn arbeid. Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die zijn stelling ondersteunt dat de artsen van het Uwv zijn beperkingen hebben onderschat en dat hij niet in staat kan worden geacht om zijn arbeid te verrichten. Bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel heeft in zijn rapport van 6 januari inzichtelijk en voldoende gemotiveerd aangegeven dat het rapport van psycholoog De Vreede van 14 december 2010 geen aanleiding geeft het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Aan de voornoemde rapportage van de behandelend psycholoog kan niet het gewicht worden toegekend dat appellant daaraan wenst te verbinden nu deze rapportage niet specifiek ziet op de datum hier in geding en niet is opgesteld door een medicus. Dat bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel appellant niet zelf heeft gezien kan aan dit oordeel niet afdoen nu bezwaarverzekeringsarts Langerak appellant heeft onderzocht en daarbij tevens de beschikking had over informatie van psycholoog De Vreede.
- Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. 6.
- Voor vergoeding van schade als door appellant verzocht is ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen plaats. 6.
- Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak; - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af. Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november
- (getekend) J.J.T. van den Corput (getekend) I.J. Penning