← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY3940

12/5207 AW-VV Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening Partijen: [A. te B. ] (verzoeker) het College van dijkgraaf en heemraden van het Waterschap Rivierenland (college) Datum uitspraak: 19 november 2012 PROCESVERLOOP Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 juli 2012, 11/916 (aangevallen uitspraak). Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening op een zitting achterwege gebleven. OVERWEGINGEN 1.

  1. Bij besluit van 28 juli 2010 heeft het college het verzoek van verzoeker van 15 maart 2010 om oversluiting van zijn hypothecaire geldlening tegen een lager rentepercentage afgewezen. Dit besluit is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van het college van 21 januari
  2. 1.
  3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 21 januari 2011 ingestelde beroep ongegrond verklaard. In deze uitspraak heeft de rechtbank onder meer overwogen dat verzoekers verzoek van 15 maart 2010 moet worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag waarop artikel 4:6 van de Awb van toepassing is, gelet op verzoekers eerdere verzoek van 17 mei 2005 en de afwijzing daarvan bij besluit van 1 juni 2005 waartegen - naar de rechtbank aanneemt - geen bezwaar is gemaakt. 1.
  4. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Het hoger beroep is bij de Raad in behandeling genomen onder nummer 12/
  5. 1.
  6. Bij brief van 7 augustus 2012 heeft verzoeker het college verzocht zijn verzoek van 17 mei 2005 en zijn als bezwaarschrift tegen het afwijzende besluit van 1 juni 2005 aan te merken brief van 26 juli 2005 in behandeling te nemen en daarbij onder meer te besluiten de hypotheekrente met ingang van 17 mei 2005 aan te passen. Bij brief van 22 augustus 2012 heeft het college verzoeker bericht de inhoudelijke behandeling van dit nieuwe verzoek ten minste op te schorten tot de Raad zich heeft uitgelaten over het door verzoeker ingestelde hoger beroep. Hiertegen heeft verzoeker bij brief van 31 augustus 2012 beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen inzake het aanpassen van de hypotheekrente. De rechtbank heeft het beroepschrift met het verzoek om voorlopige voorziening doorgezonden aan de Raad. De Raad heeft het beroep onder nummer 12/5220 bij het hoger beroep betrokken. 1.
  7. Bij brief van 20 september 2012 heeft de Raad verzoeker verzocht schriftelijk uiteen te zetten om welke spoedeisende reden(en) hij een voorlopige voorziening heeft gevraagd. Omdat een antwoord van verzoeker op deze brief uitbleef, heeft de Raad verzoeker bij brief van 28 september 2012 de brief van 20 september 2012 in herinnering gebracht en verzoeker verzocht binnen één week te reageren. Ook hierop heeft de Raad geen reactie ontvangen.
  8. De voorzieningenrechter overweegt het volgende. 2.
  9. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.
  10. De voorzieningenrechter is niet gebleken van een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Weliswaar heeft verzoeker in zijn brief van 31 augustus 2012 gesteld dat hij er belang bij heeft dat op korte termijn duidelijk wordt dat hij wel bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 1 juni 2005, maar hij heeft niet gereageerd op de schriftelijke verzoeken om het spoedeisend belang uiteen te zetten. Daarbij acht de voorzieningenrechter het op voorhand niet aannemelijk dat er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening, nu het verzoek - wederom - betrekking heeft op het aanpassen van de hypotheekrente met ingang van mei 2005 en niet is gesteld of gebleken dat als gevolg van de voorlopige weigering van het college het verzoek van verzoeker van 7 augustus 2012 in behandeling te nemen en de hypotheekrente aan te passen een financiële noodsituatie is opgetreden die het treffen van een voorlopige voorziening zou kunnen rechtvaardigen.
  11. Uit het vorenstaande volgt dat niet voldaan is aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is en moet worden afgewezen.
  12. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af. Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november
  13. (getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans (getekend) P.W.J. Hospel

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.