10/6604 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 oktober 2010, 09/3737 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 23 november 2012 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P.B.Ph.M. Bogaers, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus
- Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv was - met bericht van verhindering - niet vertegenwoordigd. OVERWEGINGEN
- Aan appellante is per 20 maart 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% tot 100%. 2.
- Bij besluit van 22 juli 2009 heeft het Uwv na een medisch en arbeidskundig onderzoek de WAO-uitkering per 14 september 2009 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op minder dan 15%. 2.
- In het kader van de behandeling van het bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen van appellante zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op 21 oktober 2009 aangescherpt. Blijkens zijn rapportage van 21 oktober 2009 heeft hij appellante - om energetische redenen en om redenen van beschikbaarheid in verband met een dagbehandeling van 1 dag per week - voor maximaal 30 uur per week belastbaar geacht. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige nieuwe functies geselecteerd tot het vervullen waarvan appellante in staat is geacht. De mate van arbeidsongeschiktheid werd berekend op 25 tot 35%. Op 18 november 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd op de door appellante op 12 november 2009 gegeven zienswijze op de voorgenomen gewijzigde besluitvorming. Bij besluit van 19 november 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 22 juli 2009 gegrond verklaard, appellante per 14 september 2009 ongewijzigd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt beschouwd en de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 3 januari 2010 vastgesteld op 25 tot 35%.
- In beroep tegen het bestreden besluit is namens appellante kort gezegd aangevoerd dat de beperkingen van appellante zijn onderschat. Ter onderbouwing van dat standpunt is een brief van de aan Altrecht verbonden psychiater A. Schrier van 7 april 2010 in geding gebracht. Voorts zijn brieven van de fysiotherapeut van 26 april 2010, van de huisarts van 25 juni 2010 en een oproep voor een hartkatheterisatie op 18 augustus 2010 ingezonden. Verder zijn namens appellante stukken van de Stichting Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid overgelegd, alsmede gedingstukken die betrekking hebben op een andere verzekerde.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is - kort samengevat - overwogen dat de medische beoordeling op juiste wijze is geschied. Met de beperkingen van appellante is genoegzaam rekening gehouden en er zijn geen redenen om aan te nemen dat appellante meer beperkt is dan in de FML is weergegeven. De in beroep overgelegde informatie maakt dit niet anders. Voor het raadplegen van een deskundige heeft de rechtbank geen aanleiding gezien. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is volgens de rechtbank juist.
- Appellante heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts niet op juiste wijze heeft plaatsgevonden. Er heeft geen inventarisatie van de claimklachten plaatsgevonden en de wederkerigheid is niet in acht genomen. Voorts heeft de rechtbank miskend dat met het raadplegen van familieleden inzicht kan worden verkregen in de arbeidsmogelijkheden van een betrokkene. Voorts is aangevoerd dat cognitieve stoornissen moeilijk in een spreekkamer zijn vast te stellen en dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom men geen reden zag voor het raadplegen van een deskundige. Appellante heeft vervolgens een neuropsychologisch onderzoek geëntameerd, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 4 maart 2011 van neuropsycholoog drs. E. van der Scheer. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 31 maart 2011 het ingenomen standpunt gemotiveerd gehandhaafd. Op 1 november 2011 zijn namens appellante wederom diverse stukken betreffende een andere verzekerde overgelegd. Tevens is een brief van de fysiotherapeut van 23 juni 2011 ingezonden. 6.
- De Raad stelt in de eerste plaats vast dat het hoger beroep zich uitsluitend richt tegen het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad ziet hierin aanleiding zich tot dit punt van geschil te beperken en overweegt daartoe als volgt. 6.2.
- Ten aanzien van de stelling van appellante dat het medisch onderzoek niet zou voldoen aan de eisen van zorgvuldigheid wordt overwogen dat appellante zowel door de verzekeringsarts als door de bezwaarverzekeringsarts op het spreekuur is gezien. Blijkens de van de medische onderzoeken opgestelde rapporten heeft de (bezwaar)verzekeringsarts het dagverhaal opgetekend en is kennis genomen van de actuele medisch informatie van de behandelende sector. Verder is de verslaglegging van de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts helder en is de wijze waarop die artsen tot hun conclusie zijn gekomen inzichtelijk gemaakt. Voorts heeft appellante haar stelling dat onjuiste invulinstructies zijn gehanteerd, dan wel dat de invulinstructies op onjuiste wijze zouden zijn toegepast, niet aannemelijk gemaakt. De Raad is dan ook niet gebleken dat het onderzoek niet voldoet aan de voorwaarden die het op de onderhavige beoordeling van toepassing zijnde Schattingsbesluit daaraan stelt, dan wel in de van toepassing zijnde protocollen daaraan wordt gesteld. 6.2.
- Wat betreft de inhoudelijke beoordeling wordt overwogen dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn om het medisch onderzoek en de daaruit voortvloeiende conclusies voor onjuist te houden. Met de beperkingen van appellante is rekening gehouden en appellante is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat zij meer of anders beperkt is dan is aangenomen. Met de geheugen- en concentratiestoornissen, die blijkens mededeling van appellante op de voorgrond staan, heeft de bezwaarverzekeringsarts bij het opstellen van de FML rekening gehouden door appellante aangewezen te achten op routinematige arbeid, zonder een groot beroep op concentratie en geheugen. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante maximaal 30 uur per week belastbaar geacht voor arbeid, onder meer vanwege de door appellante ondergane dagbehandeling bij Altrecht. Uit de door appellante overgelegde informatie van de behandelende sector kan niet worden afgeleid dat de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen van appellante heeft onderschat. 6.2.
- Ten aanzien van de onder 5 genoemde rapportage van neuropsycholoog Van der Scheer wordt overwogen dat deze, gelet op de positieve score op een symptoomvaliditeitstaak, geen verminderde cognitieve belastbaarheid heeft kunnen vaststellen. Wel heeft zij een nader psychiatrisch onderzoek geadviseerd, omdat appellante onder haar niveau presteert. Op 31 maart 2011 heeft de bezwaarverzekeringsarts hierop gereageerd en zich geschaard achter de conclusies over de cognitieve beperkingen. Inschakeling van een psychiater heeft hij niet nodig geacht, omdat voldoende informatie van de behandelende sector ten aanzien van deze discipline in het dossier aanwezig is. Met de bezwaarverzekeringsarts wordt het raadplegen van een onafhankelijk psychiater niet aangewezen geacht. 6.2.
- Wat betreft de fysieke klachten heeft appellante aangegeven dat het gaat om pijnklachten aan de rug en nek. De (bezwaar)verzekeringsarts van het Uwv was hiermee bekend en heeft appellante beperkt geacht voor zware rug- en nekbelastende arbeid. Uit de door appellante in hoger beroep overgelegde informatie van de fysiotherapeut blijkt dat appellante sedert augustus 2011 gedurende tweemaal per week fysiotherapie ondergaat. Deze informatie ziet dan ook op een datum ruim na de datum in geding. Ook de informatie van de huisarts bevat geen informatie die de conclusie rechtvaardigt dat appellante per de datum in geding meer beperkt was dan door het Uwv is aangenomen. 6.
- De omstandigheid dat familieleden van appellante wellicht een andere inschatting maken van haar beperkingen of arbeidsmogelijkheden maakt de beoordeling niet anders. Bij de vaststelling van de arbeidsmogelijkheden gaat het immers om het naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking te nemen arbeid. Aan de - subjectieve - visie van familieleden kan dan ook niet die betekenis worden gehecht die appellante daaraan kennelijk gehecht wil zien. 6.
- Tenslotte ziet de Raad ook overigens geen aanleiding appellante te laten onderzoeken door een deskundige. De hiervoor noodzakelijke twijfel aan de volledigheid en juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische situatie van appellante en de hieruit voor haar voortvloeiende beperkingen op de datum in geding bij het bestreden besluit ontbreekt, nu daarvoor wat betreft die datum ook in de namens appellante overgelegde informatie in beroep en in hoger beroep geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden. De door gemachtigde van appellante in dit verband overgelegde stukken betreffende een andere verzekerde maken de beoordeling niet anders, omdat uit de beschikbare gegevens niet is gebleken dat sprake is van gelijke gevallen. 6.
- Uit hetgeen is overwogen in 6.2.1 tot en met 6.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.J. Simon en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november
- (getekend) C.W.J. Schoor (getekend) G.J. van Gendt JL