11/2007 ZVW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 maart 2011, 09/476 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats], Frankrijk (appellant) College voor zorgverzekeringen (Cvz) Datum uitspraak: 23 november 2012 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Cvz heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari
- Appellant is daarbij in persoon verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulder en mr. K. Siemeling. Na schorsing van het onderzoek hebben partijen stukken overgelegd. Het onderzoek ter zitting is hervat op 12 oktober
- Appellant is verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Siemeling. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant is geboren [in] 1935 en heeft vanaf 1960 tot zijn pensionering in 2000 in Frankrijk gewerkt aan een internationale school. Gedurende deze periode heeft hij als Nederlands ambtenaar loon ontvangen uit Nederland. Vanaf augustus 2000 ontvangt appellant een ouderdomspensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een ABP-pensioen. Appellant ontvangt uitsluitend uit Nederland een wettelijk pensioen en geniet geen inkomsten uit Frankrijk. 1.
- Ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant door Cvz op grond van artikel 69, eerste lid, van de Zvw bij brief van december 2005 als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) recht op zorg in het woonland, ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is ingevolge artikel 69, tweede lid, van de Zvw een bijdrage verschuldigd die wordt ingehouden op het pensioen van appellant. Hierbij is een zogenoemde woonlandfactor toegepast. Appellant heeft tegen de brief van december 2005 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is - na eerst niet-ontvankelijk te zijn verklaard - bij besluit van 27 januari 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe onder meer overwogen dat door het Franse bevoegde orgaan het formulier E-121 niet is beantwoord. Appellants stelling dat hij recht op zorg in Frankrijk heeft en dat daarom artikel 28 van Vo 1408/71 niet van toepassing is, vindt geen steun in een E-121 formulier. Voorts is niet in geschil dat appellant in Frankrijk geen inkomsten in verband met arbeid of pensioen heeft op grond waarvan hij een recht op zorg in Frankrijk zou kunnen hebben. Dat appellant een van zijn echtgenote afgeleid recht op zorg heeft, kan niet afdoen aan het recht op zorg dat appellant op grond van Vo 1408/71 heeft. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 14 oktober 2010 (zaak C-345/09, Van Delft e.a.) geen keuze al dan niet gebruik te maken van het recht op zorg waarin de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71 voorzien. 3.
- In hoger beroep heeft appellant aanvankelijk betoogd dat zijn situatie verschilt van de situatie die aan de orde was in het arrest van het Hof vermeld in 2, onder andere omdat hij onder de werking van het Franse wettelijke stelsel van ziektekosten viel. Appellant heeft betoogd dat hij niet op grond van zijn huwelijk is toegelaten tot de Franse wettelijke ziektekostenverzekering doch op persoonlijke titel. Uiteindelijk heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de werking van artikel 28 van Vo 1408/71 zou moeten worden uitgesteld tot 2012 nu hij voordien in Frankrijk premie heeft betaald voor een ziektekostenverzekering in Frankrijk. 3.
- Cvz heeft de stellingen van appellant weersproken. Wat betreft de ingangsdatum van de heffing van de bijdrage heeft Cvz zich op het standpunt gesteld dat in dit geval, waarin bekend was dat appellant vanaf 1 januari 2006 onder het bereik van artikel 28 van Vo 1408/71 viel, de bijdrage vanaf die datum dient te worden geheven. Wat betreft de gestelde dubbele betaling moet appellant in Frankrijk een oplossing zoeken. 4.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- Voor de toepasselijke regelgeving wordt verwezen naar de prejudiciële vraagstelling aan het Hof van 26 augustus 2009 (LJN BJ5891) en naar het arrest van het Hof van 14 oktober 2010 (C-345/09, Van Delft e.a.). 4.
- Tussen partijen is niet in geschil dat appellant geen betaalde werkzaamheden (meer) verricht en uitsluitend uit Nederland een wettelijk pensioen ontvangt. Daardoor heeft hij ingevolge artikel 28 van Vo 1408/71 recht op zorg in zijn woonland ten laste van Nederland. Appellant heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat zijn aansluiting bij een Franse ziektekostenverzekeraar en de betaling van de daarbij horende premies in de weg staan aan de heffing van een bijdrage door Nederland. 4.
- Cvz heeft in hoger beroep een door het bevoegde Franse orgaan, de Caisse primaire d’assurance-maladie (CPAM), ingevuld E-121 formulier overgelegd. De CPAM verklaart daarin dat de kosten van de verstrekkingen aan appellant voor rekening van Cvz komen. De ingangsdatum voor de berekening van het vaste bedrag overeenkomstig artikel 95 van Vo 574/72 is 1 januari
- De CPAM heeft niet verklaard, zoals het E-121 formulier mogelijk maakt bij vraag 9, dat appellant niet kon worden ingeschreven omdat hij reeds recht op verstrekkingen heeft krachtens de wetgeving van Frankrijk. 4.
- Het feit dat de CPAM niet heeft gesteld dat appellant recht op verstrekkingen heeft krachtens de Franse wetgeving, strookt met de door Cvz overgelegde brief van 9 augustus 2011 afkomstig van de Mutuelle Generale de l’Education Nationale. Deze ziektekostenverzekeraar heeft verklaard dat appellant zich, omdat hij nooit loon uit Frankrijk heeft ontvangen, niet zelfstandig, voor eigen rekening, heeft kunnen aansluiten bij het Franse sociale zekerheidsstelsel. Hij is ingeschreven geweest en heeft rechten ontleend aan zijn Franse echtgenote. Ook thans ontleent hij louter sociale zekerheidsrechten aan zijn echtgenote. Appellants stelling dat hij onder het Franse wettelijke ziektekostenstelsel valt, vindt geen steun in deze stukken. De overige door appellant overgelegde stukken kunnen hier niet aan afdoen. 4.
- Voor de toepassing van artikel 28 van Vo 1408/71 is doorslaggevend krachtens welke wettelijke regeling - de Nederlandse of (ook) de Franse - appellant rechthebbende is op een pensioen of rente. Niet in geschil is dat appellant geen werkzaamheden meer uitoefent en dat appellant uitsluitend uit Nederland een wettelijk pensioen ontvangt. Dit betekent dat Nederland als pensioenland verantwoordelijk is voor de betaling van de kosten van zorg in het woonland en ingevolge artikel 69 van de Zvw in verbinding met artikel 33 van Vo 1408/71 een bijdrage inhoudt op het pensioen van appellant. De Raad verwijst hiervoor tevens naar het genoemde arrest Van Delft e.a. van 14 oktober 2010, waarin het Hof de inhouding van die bijdrage op zichzelf niet in strijd heeft geacht met het vrij verkeer van burgers van de Europese Unie. De door het Hof in dat arrest bedoelde mogelijke discriminatie tussen ingezetenen en niet-ingezetenen had betrekking op het overgangsrecht voor niet-ingezetenen die op 31 december 2005 een particuliere verzekering hadden bij een Nederlandse verzekeringsmaatschappij. Op appellant was dit overgangsrecht niet van toepassing omdat appellant verzekerd was bij een Franse ziektekostenverzekeraar, nog daargelaten dat de Raad, na onderzoek, in zijn uitspraak van onder meer 13 december 2011, LJN BU7125 heeft geoordeeld dat van een dergelijk ongerechtvaardigd verschil in behandeling geen sprake is geweest en daarmee evenmin van een beperking van het vrije verkeer van burgers van de Europese Unie. 4.
- Voor zover sprake is van betaling in Frankrijk van premies vanaf 2006 voor prestaties gedekt door het Franse wettelijke stelsel van ziektekosten, is het aan appellant daar in Frankrijk terugbetaling voor te vragen. Weliswaar bepaalt artikel 33, eerste lid, van Vo 1408/71 dat het orgaan van de lidstaat dat een rente of pensioen verschuldigd is, gemachtigd is bedragen in te houden op het pensioen of de rente. Een lidstaat is dus niet verplicht dat te doen. Echter, de Nederlandse wetgever heeft er voor gekozen de bijdrage te heffen. Artikel 69, tweede lid, van de Zvw bepaalt dat de personen die het betreft, een bijdrage verschuldigd zijn. Op grond van dit artikel heeft Cvz niet de bevoegdheid heffing van de bijdrage achterwege te laten, zoals appellant heeft bepleit. 4.
- Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat de door appellant aangevoerde gronden de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet kunnen aantasten. De rechtbank heeft derhalve het beroep terecht ongegrond verklaard.
- De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november
- (getekend) M.M. van der Kade (getekend) I.J. Penning SG