12/2069 ZW-PV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 6 april 2011, 09/5408 Partijen: [A. te B.] (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 14 november 2012 Zitting hebben: Ch. van Voorst als voorzitter en H. Bolt en M. Greebe als leden. Griffier: H.J. Dekker Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
- Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad herzien op de grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
- Bij de uitspraak van 6 april 2011, waarvan nu herziening wordt verzocht, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 september 2009, 08/2777 in hoger beroep bevestigd. De rechtbank heeft hierbij het beroep van verzoeker tegen een besluit van het Uwv van 11 juni 2008 ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het betrof een weigering van het Uwv om aan verzoeker met ingang van 11 juli 2000 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen.
- Bij een uitspraak van 7 maart 2012, 12/2429, heeft de Raad een eerder verzoek om herziening van de uitspraak van 6 april 2011 van verzoeker afgewezen, omdat geen sprake was van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb.
- Verzoeker voert nu aan dat hij voldoende bewijzen heeft overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld dat hij met ingang van 11 juli 2000 niet in staat kan worden geacht om zijn arbeid in de zin van artikel 19, eerste lid, van de ZW te verrichten. 5.
- De Raad komt tot het volgende oordeel. 5.
- Verzoeker heeft ook nu geen feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Hij verwijst naar stukken die hij heeft ingebracht in de procedure die is geëindigd met de uitspraak van 6 april 2011 en die door de Raad bij zijn beoordeling zijn betrokken. Zoals ook al is overwogen onder 2.2 van de uitspraak van 7 maart 2012 is het rechtsmiddel van herziening niet gegeven om een hernieuwde discussie te voeren over die zaak of het daarbij toegepast recht. 5.
- Dit betekent dat het verzoek wederom dient te worden afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) H.J. Dekker (getekend) Ch. van Voorst