← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY4049

11/4238 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2011, 10/2014 WAO (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 23 november 2012 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 12 oktober 2011 heeft appellant gereageerd op het verweerschrift en een verklaring van psychiater J. Chiboub in het geding gebracht. Partijen hebben de Raad nog een nadere reactie toegezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober

  1. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Sluijs. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant, destijds werkzaam als magazijnmedewerker, is op 27 mei 1991 voor dat werk uitgevallen wegens maagklachten. In verband hiermee zijn hem met ingang van 27 mei 1992 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.
  3. Bij besluit van 7 februari 1997 heeft het Uwv de AAW- en WAO- uitkeringen van appellant ingaande 1 juni 1997 ingetrokken, omdat de arbeidsongeschiktheid van appellant per die datum was afgenomen naar minder dan 15%. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 6 oktober 1998 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze Raad heeft bij uitspraak van 4 oktober 2000, 98/8061 deze uitspraak van de rechtbank bevestigd. 1.
  4. Bij brief van 6 november 2008, respectievelijk 12 augustus 2009, heeft appellant het Uwv verzocht om het besluit waarbij zijn uitkering is beëindigd in te trekken en zijn uitkering vanaf 1 juni 1997 te hervatten. Appellant heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij geen inkomsten of uitkering heeft omdat hij ziek is gebleven en niet meer in staat is geweest arbeid te verrichten. 1.
  5. Bij besluit van 22 december 2009, in bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 30 maart 2010, heeft het Uwv met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verzoek van appellant afgewezen. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden die ertoe nopen om terug te komen van het besluit waarbij de uitkering per 1 juni 1997 is beëindigd.
  6. Bij de aangevallen mondelinge uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij het standpunt van het Uwv dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden onderschreven.
  7. In hoger beroep handhaaft appellant zijn standpunt dat hij vanaf 1 juni 1997 volledig arbeidsongeschikt is gebleven, hij geen arbeid kon verrichten en zijn gezondheid steeds slechter wordt. Appellant geeft aan dat hij nog steeds last heeft van pijn in zijn bovenbuik en deze klachten de laatste jaren erger zijn geworden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een verklaring van psychiater J. Chiboub van 12 oktober 2011 in het geding gebracht.
  8. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  9. Het verzoek van appellant van 6 november 2008, respectievelijk 12 augustus 2009 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van het in overweging 1.2 vermelde besluit van 7 februari
  10. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. 4.
  11. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad mag, overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit. 4.
  12. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat hetgeen appellant ter onderbouwing van zijn verzoek van 6 november 2008, respectievelijk 12 augustus 2009, naar voren heeft gebracht, geen nieuwe feiten of omstandigheden inhouden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Ook de Raad is van oordeel dat de stellingen van appellant dat hij ziek is gebleven, zijn gezondheid verslechterd is en hij niet meer in staat is geweest arbeid te verrichten, terecht door het Uwv niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb zijn aangemerkt. 4.
  13. Bij het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb was ook naar het oordeel van de Raad het Uwv bevoegd het verzoek van appellant af te wijzen en daarbij te volstaan met een verwijzing naar de eerdere afwijzende beslissingen. Er bestaat geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het Uwv van die bevoegdheid niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. 4.
  14. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 30 maart 2004, LJN: AO8674) kunnen als gevolg van de beperkte toetsing in het kader van een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, anders dan in een normale procedure, niet in de beoordeling in (hoger) beroep worden betrokken eerst in die fase ingebrachte stukken die niet bij het Uwv bekend waren ter onderbouwing van reeds eerder (in de fase voorafgaand aan het primaire besluit dan wel in de bezwaarfase) opgeworpen stellingen. De in beroep overgelegde verklaring van KNO-arts M. Bouchtib van 29 juni 2010 en de in hoger beroep overgelegde verklaring van psychiater J. Chiboub van 12 oktober 2011 zijn om die reden niet bij de beoordeling van het hoger beroep betrokken. 4.
  15. Uit het overwogene onder 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  16. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november
  17. (getekend) C.W.J. Schoor (getekend) Z. Karekezi KR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.