11/4283 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 juni 2011, 10/4772 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 23 november 2012 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. C. Brouwer-Morren, werkzaam bij ARAG-Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober
- Appellant is - met kennisgeving - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant was werkzaam als waterklerk toen hij zich op 7 april 2008 ziek meldde als gevolg van de ziekte van Pfeiffer. Nadien traden ook nek- en rugklachten op in verband met een verkeersongeval in oktober
- 1.
- Appellant is in het kader van de beoordeling van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 23 februari 2010 onderzocht door een verzekeringsarts. Blijkens haar rapport van 17 maart 2010 beschikte zij over een medisch onderzoekverslag deskundigenoordeel van het Uwv van 24 december 2009 (deskundigenoordeel), het actueel oordeel van de bedrijfsarts van 13 januari 2010 en informatie van de behandelend neuroloog van 10 februari
- Op basis hiervan en van de anamnese en haar eigen medisch onderzoek stelde de verzekeringsarts de diagnose leverfunctiestoornis e.c.i., whiplash trauma en aspecifieke lage rugklachten. In overeenstemming hiermee formuleerde zij enkele beperkingen welke zij vastlegde in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 24 februari
- Gezien de diagnosen en het activiteitenpatroon van appellant achtte zij een urenbeperking niet aan de orde. Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding vastgesteld dat het verlies van verdienvermogen 32,44% bedroeg. Hierna stelde het Uwv bij besluit van 8 april 2010 vast dat voor appellant met ingang van 5 april 2010 geen recht was ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA.
- In de bezwaarprocedure deed de bezwaarverzekeringsarts op 12 mei 2010 een eigen medisch onderzoek en onderschreef hij de door de verzekeringsarts opgestelde FML. Bij het arbeidskundig onderzoek vervielen volgens het rapport van 27 mei 2010 twee functies, waarna het verlies van verdienvermogen werd gesteld op 33,85%. Hierna verklaarde het Uwv het tegen het besluit van 8 april 2010 gemaakte bezwaar bij besluit van 28 mei 2010 ongegrond. 3.
- In beroep stelde de gemachtigde van appellant dat de beperkingen van appellant in de FML te licht waren ingeschat. Zij wees erop dat de bedrijfsarts in het in 1.2 vermelde actueel oordeel een urenbeperking tot 4 uur per dag en 20 uur per week had opgenomen. Voorts vermeldde zij dat in het deskundigenoordeel was aangegeven dat appellant zeer stressgevoelig en depressief was en dat de verzekeringsarts hieraan voorbij gegaan was. Ten slotte formuleerde zij gronden tegen de vier uiteindelijk gehandhaafde functies. 3.
- In het aanvullend verweerschrift stelde het Uwv dat appellant de medische beroepsgronden niet met nieuwe medische gegevens had onderbouwd en dat de gronden tegen de geduide functies zagen op aspecten waarop appellant in de FML niet beperkt was dan wel ten aanzien waarvan de bezwaararbeidsdeskundige een adequate toelichting had gegeven. 4.
- De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 28 mei 2010 (bestreden besluit) ongegrond. 4.
- De rechtbank vond geen aanknopingspunten om het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts over de vastgestelde FML voor onjuist te houden. Zij tekende aan dat appellant geen medische gegevens had overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt over de FML. Wat betreft de urenbeperking wees zij op de motivering van de verzekeringsarts voor het niet stellen daarvan. Voorts gaf zij aan dat de omstandigheid dat een (bezwaar)verzekeringsarts andere beperkingen vaststelt dan de bedrijfsarts op zichzelf geen aanwijzing oplevert dat de FML onzorgvuldig of onjuist is vastgesteld. 4.
- De rechtbank oordeelde voorts dat de bezwaararbeidsdeskundige in het rapport van 27 mei 2020 de medische geschiktheid van appellant voor de uiteindelijk gehandhaafde functies voldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank stelde verder vast dat appellant de beroepsgrond betreffende de berekening van het maatmanloon ter zitting heeft ingetrokken.
- In hoger beroep heeft appellant ter onderbouwing van zijn standpunt de in beroep voorgedragen gronden en argumenten over de FML en de resterende functies herhaald. 6.
- De Raad ziet in het hoger beroep geen aanleiding het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en over de medische geschiktheid van de overblijvende functies voor onjuist te houden. Hij sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. Hij tekent inzake de medische grondslag van het bestreden besluit nog aan dat, wat verder ook zij van het feit dat de bedrijfsarts – overigens naar de stand van zaken op 27 november 2009 en dus niet ziende op de datum in geding – een urenbeperking had vermeld, er niet aan kan worden voorbijgezien dat de verzekeringsarts in haar rapport van 17 maart 2010 vermeldde dat uit telefonisch overleg met de bedrijfsarts op die dag bleek dat deze het eens was met haar visie. Voorts wijst de Raad erop dat in het deskundigenoordeel is vermeld dat bij het psychisch onderzoek geen bijzonderheden waarneembaar waren ten aanzien van aandacht, concentratie en overige cognitieve functies en dat er geen aanwijzingen waren voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Wat betreft het resultaat van 4-dimensionale klachtenlijst, die liet zien dat appellant zeer stressgevoelig is, depressief is en een neiging tot somatiseren heeft, werd in het deskundigenoordeel opgemerkt dat appellant ook psychische klachten heeft en dat de bedrijfsarts deze bevindingen kan gebruiken bij de re-integratie van appellant. Gelet op deze conclusies van het deskundigenrapport en bij gebreke van nadere medische gegevens ten aanzien van de psychische gesteldheid van appellant rond de datum in geding, ziet de Raad ook geen aanknopingspunten de FML wat betreft de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren) voor onjuist te houden. Dit spreekt te meer nu de verzekeringsarts bij haar onderzoek op psychisch gebied geen bijzonderheden vaststelde. 6.
- Overweging 6.1 leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november
- (getekend) C.W.J. Schoor (getekend) Z. Karekezi KR