← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY4066

11/2571 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 maart 2011, 10/1915 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 16 november 2012 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W.J.A. Vis hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober

  1. Namens appellant is verschenen mr. Vis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman. OVERWEGINGEN
  2. Bij besluit van 19 maart 2010 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van appellant niet te herzien wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid per 8 december
  3. 2.
  4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellant tegen het besluit van 19 maart 2010 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en beslissingen genomen over vergoeding van griffierecht en proceskosten. 2.
  5. De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, overwogen dat het besluit van 19 maart 2010 weliswaar op een juiste medische grondslag berust, maar een arbeidskundige grondslag ontbeert. Nu de eerst in beroep uitgevoerde arbeidskundige beoordeling de toetsing door de rechtbank kan doorstaan, heeft de rechtbank aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.
  6. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat in de Functionele Mogelijkhedenlijst een urenbeperking had moeten worden opgenomen. Hij acht zich volledig arbeidsongeschikt, terwijl het Uwv ervan uitgaat dat hij gemiddeld tenminste 8 uur per dag en 40 uur per week kan werken. Voorts heeft hij zich op het standpunt gesteld dat uit de medische rapportages niet blijkt dat het Uwv het verzekeringsgeneeskundig protocol Chronische-vermoeidheidssyndroom (protocol CVS) heeft toegepast. 4.
  7. De Raad overweegt als volgt. 4.
  8. In het hoger beroep, dat uitsluitend gericht is tegen het door de rechtbank in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, heeft appellant in essentie herhaald hetgeen hij reeds eerder in beroep naar voren heeft gebracht. In de aangevallen uitspraak is met juistheid over deze gronden geoordeeld. De Raad stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank en ziet geen aanleiding tot een ander oordeel te komen nu appellant zijn stellingen in hoger beroep niet heeft toegelicht aan de hand van andere medische verklaringen, dan die waarop hij zich in eerste aanleg heeft beroepen. 4.
  9. De Raad ziet geen aanleiding van het Uwv een expliciete toetsing aan het protocol CVS te verlangen. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 23 september 2011, LJN BT6290, merkt de Raad op dat ook in dit geval sprake is van een zorgvuldige medische beoordeling van de melding van appellant van 8 december 2009 dat zijn gezondheid is verslechterd, nu uit de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen blijkt dat voldoende aandacht is besteed aan de vermoeidheidsklachten van appellant. Uit de verzekeringsgeneeskundige gedingstukken komt voorts duidelijk naar voren dat er bij het vaststellen van de voor appellant geldende beperkingen rekening is gehouden met de vermoeidheidsklachten van appellant. De bezwaarverzekeringsarts heeft gemotiveerd te kennen gegeven waarom deze klachten niet leiden tot het aannemen van meer beperkingen. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. Appellant is in staat de ten aanzien van hem geselecteerde functies te vervullen. 4.
  10. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
  11. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november
  12. (getekend) T. Hoogenboom (getekend) I.J. Penning

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.