11/3606 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 mei 2011, 11/367 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) Datum uitspraak 27 november
- PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.W.F. Menick, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober
- Voor appellante is mr. Menick verschenen. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellante, geboren op 15 augustus 1943, ontvangt sinds 1 augustus 2008 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). In het voorjaar van 2010 is zij ten val gekomen en is haar gebit stuk gegaan. Op 9 april 2010 heeft zij een gebitsbehandeling ondergaan. Van de kosten is blijkens de nota van 29 juli 2010 een bedrag van € 356,12 niet vergoed door de zorgverzekering van appellante. Op 20 september 2010 heeft appellante een aanvraag om bijzondere bijstand voor deze kosten ingediend. Bij besluit van 10 november 2010 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat sprake is van een voorliggende voorziening. Bij besluit van 8 december 2010 (bestreden besluit) heeft het college, met wijziging van de grondslag, de afwijzing gehandhaafd. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat ten tijde van de aanvraag de kosten reeds waren gemaakt en in rekening gebracht, zodat sprake was van een schuld. Aangezien voor schulden geen bijstand wordt verleend en geen sprake is van zeer dringende redenen is geen bijzondere bijstand verleend.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Niet is betwist dat het hier gaat om een aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van een schuld, omdat de kosten al voor de datum van aanvraag bij de betrokkene in rekening zijn gebracht. 4.
- Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB, zoals dat artikel luidde ten tijde hier van belang, heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand. In artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB, zoals dat artikel luidde ten tijde hier van belang, is de mogelijkheid opgenomen om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bijzondere bijstand te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a van dat artikel genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt. 4.
- Vaststaat dat appellante een AOW-pensioen ontving en ontvangt naar het voor haar geldende normbedrag, zodat zij al voorafgaand aan de aanvraag en nadien beschikte over middelen om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. De enkele omstandigheid dat iemand kennelijk als bewindvoerder was aangesteld doet daaraan niet af. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB vormde dus een beletsel voor de verlening van bijzondere bijstand ter betaling van deze schuld. 4.
- Het college was voorts niet bevoegd om appellante met toepassing van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB niettemin bijstand te verlenen voor deze schuld. Niet is gebleken van een afgewezen verzoek tot verlening van een schuldsaneringskrediet, zodat zij alleen daarom al niet voldeed aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB en bovendien was evenmin sprake van zeer dringende redenen als daar bedoeld. Anders dan appellante meent vormt het ontbreken van verwijtbaarheid ten aanzien van een schuld op zichzelf geen zeer dringende reden. Hetzelfde geldt voor de gestelde omstandigheid dat appellante door haar gevorderde leeftijd en haar val sterk aan mobiliteit heeft ingeboet. Zoals de Raad eerder in zijn uitspraak van 7 juni 2010, LJN BM7227, heeft overwogen moet er, gelet op het uitzonderingskarakter van deze bepaling en mede gelet op de bewoordingen daarvan, sprake zijn van een situatie waarin de behoeftige omstandigheden op geen andere wijze zijn te verhelpen en bijstandsverlening onvermijdelijk is. Van de zijde van appellante is niet aannemelijk gemaakt dat de betreffende schuld appellante in haar bestaan bedreigde, te minder nu de schuld in ieder geval reeds in de beroepsfase was voldaan. 4.
- Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevoerde hoger beroepsgronden niet slagen. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november
- (getekend) R.H.M. Roelofs (getekend) J. de Jong HD