12/2625 WSFBSF-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 maart 2012, 11/1285 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister) Zitting heeft: I.M.J. Hilhorst-Hagen Griffier: G.J. van Gendt Ter zitting zijn verschenen: S. Kistemaker, appellant, en mr. G.J.M. Naber, vertegenwoordiger van de Minister BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
- Appellant heeft in 2008 studiefinanciering genoten van januari tot en met juli. De Minister heeft bij besluit van 16 april 2011 over deze periode een vordering wegens meerinkomen ten laste van appellant vastgesteld. De vordering is na bezwaar bij besluit van 25 juli 2011 gehandhaafd.
- De rechtbank heeft het door appellant tegen het besluit van 25 juli 2011 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het toetsingsinkomen, waarvan het meerinkomen is afgeleid, door de Minister juist is vastgesteld. De grond dat appellant onvoldoende is geïnformeerd over de bijverdiengrens is door de rechtbank gemotiveerd verworpen. In de periode waarover het hier gaat was er namelijk voldoende voorlichtingsmateriaal beschikbaar. De vordering uitsluitend baseren op de maanden waarin het meerinkomen is ontstaan, is volgens de rechtbank, gelet op de wettelijke regeling, niet mogelijk.
- Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank bij de beoordeling van het beroep ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het onjuist en onvolledig handelen van de Minister. Daarnaast heeft hij gewezen op nieuwe stukken die bij de beoordeling van het geschil een rol zouden kunnen spelen. 4.
- Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. De Raad ziet geen reden over deze gronden anders te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan en sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. De Raad voegt daaraan toe dat de hoogte van het inkomen van een student niet van invloed is op het recht op studiefinanciering en dat voor de toekenning van studiefinanciering dus geen voorwaarde is dat het inkomen onder de bijverdiengrens blijft. Zoals namens de Minister ter zitting is toegelicht staan het recht op studiefinanciering en de vordering wegens meerinkomen in die zin los van elkaar. 4.
- Het (enige) nieuwe stuk dat appellant in hoger beroep heeft overgelegd is een brief van 9 januari 2011 die betrekking heeft op de omzetting van appellants prestatiebeurs in een gift. De inhoud van deze brief laat, zoals namens de Minister is toegelicht en dus anders dan appellant blijkbaar meent, de vordering ongemoeid, nu de vorm waarin de studiefinanciering is verstrekt niet relevant is bij het bepalen van de vordering wegens meerinkomen. Dat appellant zijn beurs niet hoeft terug te betalen omdat die is omgezet in een gift, betekent niet dat de vordering wegens meerinkomen ten onrechte is opgelegd. Het hoger beroep slaagt dus niet.
- Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) G.J. van Gendt (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen KR