10/3259 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 april 2010, 09/978 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B. ] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 16 november 2012 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J. Lück, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft nader gereageerd op het hoger beroep door overlegging van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts mr. drs. E.J.M. van Paridon van 20 augustus
- Bij brief van 23 februari 2011 heeft mr. G. de Jong, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Mr. De Jong heeft op 4 mei 2011 een rapport van de medisch adviseur M.M.F. Timmerhuis van 24 januari 2011 overgelegd, op 20 oktober 2011 nadere gronden ingediend en daarbij gevoegd medische informatie van de behandelende sector en een rapport van Timmerhuis van 7 september
- Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november
- Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden. Na schorsing van het onderzoek ter zitting heeft de Raad de neuroloog dr. J.W. Stenvers benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft op 23 mei 2012 verslag gedaan van zijn onderzoek. Mr. De Jong heeft een ongedateerde reactie van appellante op het verslag van de deskundige ingebracht. Naar aanleiding hiervan heeft de deskundige op 20 augustus 2012 een nader rapport uitgebracht. Appellante heeft nogmaals gereageerd op 2 september
- Partijen hebben toestemming gegeven voor het doen van een uitspraak zonder nadere zitting. Hierna heeft de Raad het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN
- Appellante, geboren op 12 oktober 1955, was werkzaam als receptioniste/telefoniste voor ongeveer 20,5 uur per week toen zij zich op 12 juli 1996 ziek meldde met nekklachten. Tevens waren er hoofdpijnklachten. Aan appellante is, na ommekomst van de wettelijke wachttijd, met ingang van 11 juli 1997 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO) naar de klasse 80 tot 100% toegekend.
- Appellante is in het kader van een herbeoordeling op 4 april 2008 onderzocht door een verzekeringsarts. Deze arts heeft in een rapport van dezelfde datum de medische voorgeschiedenis beschreven en noteerde bij de anamnese dat de klachten ongewijzigd waren maar wel hebben geleid tot meer beperkingen door pijn. De verzekeringsarts meldde het resultaat van lichamelijk onderzoek aan de nek en het afzien op verzoek van appellante van verder lichamelijk onderzoek. Voorts meldde de verzekeringsarts de bevindingen bij het psychisch onderzoek. Hij beschreef de geobjectiveerde en plausibel bevonden beperkingen en stelde vast dat er geen noodzaak was voor een urenbeperking. De verzekeringsarts legde zijn bevindingen vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek - op basis van de criteria van het tot 1 oktober 2004 geldende Schattingsbesluit - bij functieduiding berekend dat het verlies van verdienvermogen 34,7% was. Hierna herzag het Uwv bij besluit van 23 september 2008 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 24 november 2008 naar de klasse 25 tot 35%. 3.
- In de bezwaarprocedure keerde appellante zich - kort gezegd - tegen de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit van 23 september
- In een bijlage bij haar bezwaarschrift gaf appellante nader commentaar op de FML. 3.
- Bezwaarverzekeringsarts Van Paridon vermeldde in een rapport van 13 januari 2009 de beschikbare medische gegevens en de ter hoorzitting verkregen informatie over de klachten van appellante betreffende haar rug en nek en de klachten in verband met hartkloppingen, IBS en concentratievermindering als gevolg van migraine zonder aura. Van de migraine zou de aanvalsfrequentie moeilijk aan te geven zijn. Na weging van alle medische gegevens zag Van Paridon in verband met de medicatie aanleiding voor een aanvullende toelichting bij de beperking voor verhoogd persoonlijk risico (onderdeel 1.9.9 van de FML). Van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden of een indicatie voor een urenbeperking was volgens Van Paridon geen sprake. 3.
- De bezwaararbeidsdeskundige bracht in een rapport van 16 februari 2009 een kleine correctie aan op het maatmaninkomen en wijzigde de functieduiding in verband met onvoldoende bevonden actualiteit van enkele van de aanvankelijk geselecteerde functies. Het verlies van verdienvermogen werd berekend op 30,01%. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 17 februari 2009 het bezwaar van appellante ongegrond. 4.
- In beroep heeft appellante haar bezwaren tegen de medische grondslag van het bestreden besluit toegelicht en ter nadere onderbouwing daarvan informatie van de neuroloog L.R. Canta van 29 april en 2 november 2009 overgelegd. Voorts diende appellante een rapport van de medisch adviseur Timmerhuis van 7 september 2009 in. Ten slotte formuleerde appellante haar bezwaren tegen de uiteindelijk in de bezwaarprocedure geduide functies. 4.
- Namens het Uwv reageerde Van Paridon in verschillende rapportages op de in 4.1 vermelde medische informatie en zag daarin geen aanleiding voor een ander standpunt. 5.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 17 februari 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 5.
- De rechtbank onderschreef de medische weging van Van Paridon, zoals samengevat weergegeven in overweging 3.2, en zag in het beroep van appellante geen aanknopingspunten de door de verzekeringarts vastgestelde en door Van Paridon in verband met de medicatie aangevulde FML voor onjuist te houden. De rechtbank wees er nog op dat de stelling van appellante dat haar darmprobleem een langdurig toiletbezoek meebrengt niet met nadere medische informatie was onderbouwd. 5.
- Wat betreft de uiteindelijk geduide functies overwoog de rechtbank dat de signaleringen voldoende waren toegelicht en dat het standpunt van appellante dat zij niet technisch onderlegd is niet van belang is, nu zij voldoet aan het voor de functies vereiste opleidingsniveau. 6.
- In hoger beroep heeft appellante haar gronden tegen de medische grondslag van het bestreden besluit in essentie herhaald en heeft zij voorts gesteld dat haar verzuimrisico structureel zodanig excessief is dat van een werkgever tewerkstelling van appellante in redelijkheid niet kan worden verlangd. 6.
- Bezwaarverzekeringsarts Van Paridon heeft op het hoger beroep gereageerd in een ter zitting van 11 november 2011 overgelegd rapport van 28 november
- Daarin is wat betreft het standpunt van appellante over haar ziekteverzuim in verband met de migraine gesteld dat schatting daarvan lastig is omdat de migraine ook wel een week overslaat en de aanvallen goed reageren op de medicatie. Voorts heeft appellante geen medische stukken overgelegd op basis waarvan arbeidsongeschiktheid als gevolg van de migriane-aanvallen wordt gerechtvaardigd. 7.
- De Raad heeft in het hoger beroep en het verhandelde ter zitting aanleiding gezien een deskundige te benoemen. De in rubriek “Procesverloop” vermelde deskundige neuroloog Stenvers heeft in zijn rapport van 23 mei 2012 verslag gedaan van zijn onderzoek op 3 april
- 7.
- Stenvers gaf in zijn verslag een uitgebreide anamnese weer en stelde bij het lichamelijk onderzoek een lichte cervikale bewegingsbeperking vast wat betreft rotatie naar links en rechts en lateroflexie naar links. Wat betreft de hoofdpijnklachten bevestigde Stenvers dat appellante migraine zonder aura heeft en hij stelde tevens vast dat deze migraine voor de ziekmelding in verband met nek- en rugklachten in 1996 naar zeggen van appellante nooit een reden is geweest voor verzuim. Stenvers kon instemmen met de FML en met de door de bezwaararbeidsdeskundige geduide functies. Naar aanleiding van de reactie van appellante op zijn verslag zag de deskundige Stenvers in zijn nader rapport geen aanleiding zijn conclusies te wijzigen en hij herhaalde hetgeen hij over de migraine in zijn verslag had opgemerkt. 7.
- Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier in elk geval voor, voor zover het rapport toeziet op de FML, zoals deze is opgesteld in verband met de lichamelijke klachten. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft ten aanzien hiervan blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Er zijn geen specifieke bezwaren naar voren gebracht die een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de in het rapport neergelegde zienswijze. Wat betreft de migraineklachten van appellante is aan de deskundige weliswaar niet de vraag voorgelegd hoe de omvang van het door appellante gestelde ziekteverzuim moet worden gewogen, maar de Raad heeft in het hoger beroep geen aanknopingspunten gezien om hetgeen daarover door Van Paridon is gesteld, als weergegeven in overweging 6.2, voor onjuist te houden. In dit verband wijst de Raad er nog op dat de in beroep overgelegde informatie van de neuroloog Canta toeziet op de situatie ten tijde van het spreekuur op 17 maart 2009, dat hij bij de anamnese wel melding maakt van de migraineaanvallen van appellante twee à drie maal per week maar ook dat de medicatie redelijk effect heeft. Voorts ziet de niet nader onderbouwde uitspraak van Canta in zijn brief van 2 november 2009 dat appellante in verband met haar klachten arbeidsongeschikt zou zijn, naar de Raad uit die brief opmaakt, uitdrukkelijk toe op het spreekuurbezoek van 21 april 2009, waar in die brief wordt gesproken van zeer veel klachten op dat moment. Overigens merkt de Raad nog op dat de medisch adviseur Timmerhuis in haar rapport van 7 september 2009 aangaf dat er in verband met de migraine klachten geen reden was voor een preventieve urenbeperking. 7.
- Op grond van overweging 7.
- concludeert de Raad, evenals de rechtbank, dat er geen aanleiding is de voor appellante vastgestelde FML voor onjuist te houden en volgt hij appellante niet in haar in 6.1 weergegeven stelling over structureel ziekteverzuim. 7.
- Wat betreft de medische geschiktheid van appellante voor de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies heeft de Raad, gelet op het oordeel van de deskundige Stenvers daarover, geen aanknopingspunten het oordeel van de rechtbank over die functies onjuist te achten. 7.
- De overwegingen 7.2 tot en met 7.5 brengen de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november
- (getekend) C.W.J. Schoor (getekend) K.E. Haan