← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5336

12/4838 ANW-VV Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening Partijen: [A. te B.] (verzoekster) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 19 november 2012 PROCESVERLOOP Namens verzoekster heeft mr. S. Guman bij brief van 12 december 2011 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 november 2011, 11/1240 (aangevallen uitspraak). Voorts heeft mr. Guman namens verzoekster bij brief van 28 augustus 2012 een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober

  1. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Guman en drs. H.R.M.M. van Buijtenen-van den Heuvel als tolk. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weerd. OVERWEGINGEN
  2. Bij besluit van 25 januari 2011 (bestreden besluit) is ongegrond verklaard het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 13 juli 2010, waarbij de Svb een bedrag van € 10.017,15 aan uitkering ingevolge de Algemene Nabestaandenwet (Anw) aan verzoekster betaalbaar heeft gesteld en het resterende bedrag van de totale nabetaling desgevraagd aan de afdeling Sociale Zaken van het Samenwerkingsverband van de gemeentes Aalsmeer/Uithoorn (het Samenwerkingsverband) heeft betaald.
  3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de Svb op goede gronden een deel van het na te betalen bedrag aan Anw-uitkering betaalbaar heeft gesteld aan het Samenwerkingsverband ter verrekening met onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de Wet Werk en Bijstand (WWB).
  4. In hoger beroep heeft verzoekster zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
  5. Namens verzoekster is verzocht een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkend dat in afwachting van een uitspraak van de Raad in de hoofdzaak, alsnog het volledige bedrag van de nabetaling van de Anw-uitkering aan verzoekster betaalbaar wordt gesteld.
  6. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling. 5.
  7. Ingevolge artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 5.
  8. Ten aanzien van de vraag of in dit geval sprake is van onverwijlde spoed overweegt de voorzieningenrechter het volgende. 5.
  9. Aan verzoekster is - na een bezwaarprocedure - met ingang van 1 februari 2008 een uitkering ingevolge de Anw toegekend. Naar aanleiding van een verzoek van het Samenwerkingsverband om het na te betalen bedrag aan Anw-uitkering deels aan te wenden ter verrekening met de over de periode 1 tot en met 29 februari 2008, 16 april 2008 tot en met 31 juli 2009 en juni 2010 betaalde bijstand op grond van de WWB, heeft de Svb het bedrag dat na verrekening met bijstandsuitkering aan Anw resteert, te weten € 10.017,15, vermeerderd met wettelijke rente, aan verzoekster betaalbaar is gesteld. Naar de voorzieningenrechter ter zitting is gebleken is de spoedeisendheid bij de verzochte voorlopige voorziening volgens verzoekster gelegen in de omstandigheid dat verzoekster stelt over de maand maart 2008 en over de periode van augustus 2009 tot mei 2010 geen inkomsten te hebben gehad en dat zij daardoor veel schulden heeft gemaakt. 5.
  10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van een (financieel) spoedeisend belang bij het treffen van de door haar verzochte voorlopige voorziening. In dit verband laat de voorzieningenrechter in het bijzonder wegen dat van de zijde van verzoekster in het geheel geen stukken in het geding zijn gebracht met betrekking tot de gestelde schulden of de gestelde beslaglegging welke kunnen dienen ter onderbouwing van een bij haar bestaande financiële noodsituatie. Tevens weegt mee dat verzoekster ter zitting heeft verklaard op dat moment over een netto inkomen te beschikken van ongeveer € 1.130,= per maand. Voor zover sprake is van een derdenbeslag wordt voorts overwogen dat bij de ten uitvoerlegging van een derdenbeslag de beslagvrije voet in acht genomen wordt. Van de zijde van verzoekster is niet gesteld dat dit in haar geval anders zou zijn. Alle feiten en omstandigheden afwegend is een situatie van spoedeisendheid onvoldoende aangetoond. 5.
  11. Voor zover verzoekster zou wensen, dat ook onmiddellijk in de hoofdzaak uitspraak wordt gedaan, overweegt de voorzieningenrechter dat de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen niet bedoeld is om door middel van een zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid van de Awb neergelegde bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter zal in dit geval dan ook geen gebruik maken van voormelde bevoegdheid. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting zal getracht worden de hoofdzaak in het eerste kwartaal 2013 ter zitting te behandelen.
  12. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
  13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november
  14. (getekend) J.W. Schuttel (getekend) G.J. van Gendt

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.