12/1559 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2012, 11/4670 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 30 november
- PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2012, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bogaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.A. Loogman. OVERWEGINGEN
- Appellant is magazijnbediende geweest en is op 27 januari 2004 uitgevallen wegens ziekte. Aan appellant is met ingang van 24 januari 2006 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 12 september 2008 naar aanleiding van een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid met ingang van 12 mei 2007 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 12 mei 2007 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft geleid tot het besluit van 16 januari 2009, waarbij appellant op arbeidskundige gronden volledig arbeidsongeschikt is verklaard. Nadat appellant tegen dat besluit beroep had ingesteld, heeft het Uwv in de loop van de beroepsprocedure bij besluit van 2 april 2009 bepaald dat appellant reeds per 15 augustus 2006 volledig arbeidsongeschikt was. Dit laatste besluit heeft de rechtbank met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht in de beroepprocedure betrokken.
- Bij de uitspraak van 11 november 2007, 09/371 en 09/372, heeft de rechtbank Amsterdam, voor zover thans nog van belang, over het besluit van 2 april 2009 geoordeeld dat het Uwv in onvoldoende mate had gemotiveerd waarom er bij appellant per 15 augustus 2006 geen sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Het beroep van appellant dat geacht kon worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 2 april 2009 heeft de rechtbank dan ook gegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank dit besluit vernietigd en het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
- Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv bij besluit van 17 augustus 2011 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij, in overeenstemming met een rapport van de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst van 22 juni 2011, het Uwv heeft geweigerd appellant per 15 augustus 2006 een IVA-uitkering toe te kennen, omdat er bij hem per 15 augustus 2006 geen sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Voorts heeft het Uwv appellant bij dit besluit onder meer een schadevergoeding van € 1.000,-- toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase.
- Nadat appellant tegen dat besluit beroep had ingesteld, heeft het Uwv de rechtbank nog een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 6 december 2011 toegezonden.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 17 augustus 2011 ongegrond verklaard.
- De Raad overweegt als volgt. 6.
- De Raad stelt vast dat het geschil tussen partijen alleen betreft de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 12 augustus 2006 moet worden geacht tevens duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat hij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van de thans toegekende WGA-uitkering. 6.
- Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek en zwangerschap en bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. 6.
- De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, LJN BH1896, geoordeeld dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkeling van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. 6.
- Appellant is bekend met fysieke en psychische klachten. In de rapporten van 22 juni 2011 en 6 december 2011, waarbij informatie uit de behandelende sector is betrokken, heeft de bezwaarverzekeringsarts overwogen dat de forse lichamelijke klachten van appellant slechts zeer ten dele zijn terug te voeren op lichamelijke afwijkingen, hetgeen naar zijn mening in overeenstemming is met de omstandigheid dat appellant door zijn behandelaars voor deze klachten is verwezen naar een pijnpoli. Voorts heeft hij met betrekking tot de lichamelijke klachten in overweging genomen dat de aandacht van appellant voor deze klachten negatief werkt en dat die aandacht deze klachten feitelijk in stand houdt. Met betrekking tot de psychische klachten heeft hij overwogen dat er, gezien ook de informatie van de behandelaar van Mentrum, bij appellant geen sprake is van een ernstige depressie en dat deze depressie - mede gelet op het verzekeringsgeneeskundig protocol Depressie - zich goed leent voor behandeling. Tevens heeft hij in overweging genomen dat, voor zover de aanwezigheid van de pijnklachten een herstel van de psychische klachten belemmert, de visie van appellant daarop wel is te beïnvloeden. Daarnaast heeft hij in zijn beoordeling betrokken de omstandigheid dat de behandelend psychiater op 21 maart 2006 in een telefoongesprek met verzekeringsarts T. Altena heeft verklaard dat hij het door het Uwv ten aanzien van appellant gevoerde beleid, dat appellant, zij het met beperkingen, belastbaar is met arbeid, ondersteunt. Daarbij heeft deze psychiater als argument gehanteerd dat hij het belangrijk acht dat appellant uit zijn uitzichtloze situatie komt. Gelet op het vorenstaande deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat de bezwaarverzekeringsarts in voldoende mate heeft aangetoond dat er bij appellant, uitgaande van de datum in geding bij het besluit van 11 november 2007, met ingang van 15 augustus 2006 geen sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA en dat er per die datum nog herstel mogelijk was. 6.
- Op grond van de overwegingen 6.2 tot en met 6.4 moet worden geconcludeerd dat appellant terecht per 15 augustus 2006 een IVA-uitkering is geweigerd en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Gezien de passage in het hoger beroepschrift over schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en het verhandelde ter zitting over dit onderwerp ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het toekennen van een hogere vergoeding dan de reeds door het Uwv toegekende vergoeding van € 1.000,--.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november
- (getekend) J.W. Schuttel (getekend) K.E. Haan CVG