09/1756 WAO en 11/6958 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 februari 2009, 08/1087 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 30 november
- PROCESVERLOOP De Raad heeft in het geding tussen partijen op 26 augustus 2011 een tussenuitspraak, LJN BR6082, gedaan. Het Uwv heeft op 10 oktober 2011 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Op deze gewijzigde beslissing van 10 oktober 2011 heeft appellante bij brief van 30 november 2011 gereageerd. Daarop heeft het Uwv gereageerd bij brief van 26 januari 2012, waarbij was gevoegd een nader rapport van de bezwaararbeidsdeskundige H.J.M. Saris van 9 januari
- Het onderzoek ter zitting heeft (andermaal) plaatsgevonden op 19 oktober 2012, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B.C.A. Reijnders, advocaat. Het Uwv heeft zich, met voorafgaande kennisgeving, niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN 1.
- Voor een uiteenzetting van de feiten waarvan de Raad uitgaat bij zijn oordeelsvorming verwijst hij naar zijn hiervoor vermelde tussenuitspraak. Hieraan voegt hij het volgende toe. 1.
- Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv een nader onderzoek laten verrichten door de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker die op 14 september 2011 de voor appellant op 4 juni 2007 vastgestelde FML op de items 4.19 (lopen tijdens het werk) en 5.4 (staan tijdens het werk) heeft aangepast in die zin dat zij op deze items zwaardere beperkingen voor appellant heeft vastgesteld. In een rapport van 27 september 2011 is de bezwaararbeidsdeskundige Saris op grond van deze aangepaste FML tot de conclusie gekomen dat een aantal van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet meer geschikt is voor appellant. Hij heeft een aantal soortgelijke functies voor appellant geselecteerd en heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 35 tot 45%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 10 oktober 2011 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op grond van de WAO per 1 november 2007 nader vastgesteld op 35 tot 45%. 1.
- In zijn brief van 30 november 2011 heeft appellant te kennen gegeven dat hij zich evenmin kan verenigen met het besluit van 10 oktober
- Hij is van mening dat hij meer beperkingen heeft dan zijn opgenomen in de aangepaste FML van 14 september 2011 en dat de voor hem geselecteerde functies niet geschikt voor hem zijn.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 2.
- Aangezien het in 1.2 weergegeven besluit van 10 oktober 2011 aan het beroep niet geheel tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 10 oktober
- 2.
- In de tussenuitspraak ligt besloten dat de Raad zich heeft kunnen verenigen met de voor appellant op 4 juni 2007 vastgestelde FML, behoudens met de in de items 4.19 en 5.4 vastgestelde lichte beperkingen. Daartoe wordt overwogen dat de Raad zich in die uitspraak geheel heeft geschaard achter de bevindingen van de deskundige H.C. Klomps, waaronder zijn standpunt dat er geen aanleiding is om een andere deskundige te raadplegen. Nu de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker in de op 14 september 2011 vastgestelde FML bij de items 4.19 en 5.4 zwaardere beperkingen heeft opgenomen die bovendien verder gaan dan de conclusies van de deskundige Klomps voor deze items, hetgeen door appellant ook niet wordt bestreden, moet worden geconcludeerd dat met de op 14 september 2011 vastgestelde FML het in de tussenuitspraak gesignaleerde gebrek is hersteld. De medische grondslag van het besluit van 10 oktober 2011 kan derhalve niet voor onjuist worden gehouden. 2.
- Met betrekking tot de grond van appellant dat de aan het besluit van 10 oktober 2011 ten grondslag gelegde functies niet geschikt voor hem zijn, wordt overwogen dat de bezwaararbeidskundige in zijn rapporten van 27 september 2011 en 9 januari 2012 deze geschiktheid in voldoende mate heeft aangetoond. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de op 14 september 2011 vastgestelde FML, geen aanleiding voor het oordeel dat de aan het besluit van 10 oktober 2011 ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet geschikt zijn voor appellant. 2.
- Uit 2.2 en 2.3 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, dat het beroep tegen het besluit van 29 mei 2008 gegrond dient te worden verklaard en dat dit besluit dient te worden vernietigd. Het beroep tegen het besluit 10 oktober 2011 moet ongegrond worden verklaard.
- De Raad ziet aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van appellant in beroep en in hoger beroep, die voor verleende rechtsbijstand in beroep worden begroot op € 644,-- en voor verleende bijstand in hoger beroep op € 1.771,-- in totaal derhalve op € 2.415,--. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep -vernietigt de aangevallen uitspraak; -verklaart het beroep tegen het besluit van 29 mei 2008 gegrond en vernietigt dat besluit; -verklaart het beroep tegen het besluit in beroep van 10 oktober 2011 ongegrond; -veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 2.415,--, waarvan € 1.771,-- te betalen aan de griffier van de Raad; -bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 149,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november
- (getekend) J.W. Schuttel (getekend) K.E. Haan GdJ