10/2823 WWB-PV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 april 2010, 09/3241 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B. ] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Zitting hebben: O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en M. Hillen als leden Griffier: M. Sahin Ter zitting zijn partijen niet verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep: - vernietigt de aangevallen uitspraak; - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 27 augustus 2009; - herroept het besluit van 6 mei 2009 wat betreft de hoogte van de opgelegde maatregel; - bepaalt dat de bijstand van appellante vanaf 30 december 2008 gedurende één maand wordt verlaagd met 5% van de bijstandsnorm; - bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 27 augustus 2009; - veroordeelt het college tot vergoeding van schade zoals hieronder is aangegeven; - veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.725,--, waarvan € 437,-- te betalen aan de griffier van de Raad; - bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen: Bij brief van 19 september 2012 is het college verzocht de Raad mee te delen of, en zo ja hoe, de uitspraak van de Raad van 10 januari 2012, LJN BV1067, van betekenis is voor de beoordeling van het besluit van 27 augustus 2009 (bestreden besluit). Het college heeft bij brief van 3 oktober 2012 de Raad verzocht zelf in de zaak te voorzien en in dat kader de aan appellante opgelegde maatregel te wijzigen van 100% gedurende één maand in 5% gedurende een maand. Appellante heeft bij brief van 16 oktober 2012 laten weten dat zij zich in dat verzoek kan vinden. Partijen zijn dus beiden van mening dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Zij zijn het voorts eens over de wijze waarop in de zaak voorzien moet worden. Het verzoek van appellante om het college te veroordelen tot vergoeding van schade komt voor toewijzing in aanmerking. De Raad zal het college veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Voor de wijze waarop het college de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, LJN BV1958, waarbij de datum van ingang van de wettelijke rente 1 januari 2009 is voor het ten onrechte niet betaalde deel van de bijstand over december 2008 en 1 februari 2009 over het ten onrechte niet betaalde deel van de bijstand over januari 2009. Ook bestaat aanleiding het college te veroordelen in de kosten in bezwaar en in de proceskosten van appellante. De kosten in bezwaar worden begroot op € 644,-- en de proceskosten op € 644,-- in beroep en € 437,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) (getekend) Voor eensluidend afschrift de griffier van de Centrale Raad van Beroep
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.