12/1473 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 februari 2012, 11/3586 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.](appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Aan het geding heeft voorts als partij deelgenomen de [werkgeefster] (werkgeefster) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.O. Wattilete, advocaat, hoger beroep ingesteld. Desgevraagd heeft mr. G.B.A.Bol namens werkgeefster meegedeeld dat zij als derde belanghebbende aan het geding in hoger beroep wil deelnemen. Appellante heeft geen toestemming gegeven om haar medische gegevens aan werkgeefster ter kennis te brengen. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van werkgeefster heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven. Het Uwv heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni
- Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Namens werkgeefster is, met bericht, niemand verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith. OVERWEGINGEN 1.
- Bij besluit van 12 november 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 24 februari 2010 geen recht is ontstaan op een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht. 1.
- Bij besluit van 21 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 november 2010 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de medische beoordeling op zorgvuldige wijze is verricht. De informatie van de behandelend psychiater is door de verzekeringsartsen meegewogen bij de medische beoordeling. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 oktober
- De aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies zijn besproken door de bezwaararbeidsdeskundige en passend geacht. De rechtbank acht dit juist. Hieruit volgt dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt zodat appellante terecht een Wet WIA-uitkering is geweigerd.
- Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen en dat onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische klachten. Appellante is van mening dat de rechtbank onderzoek door een deskundige had moeten laten verrichten.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de verzekeringsarts bij appellante niet te geringe medische beperkingen heeft vastgesteld en dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende gemotiveerd heeft waarom de in bezwaar door appellante overgelegde stukken geen aanleiding geven om meer of verdergaande beperkingen aan te nemen. Ook in hoger beroep zijn geen medische gegevens overgelegd die aanknopingspunten bieden om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. In hoger beroep heeft het Uwv een nader rapport van de bezwaarverzekeringsarts, gedateerd 11 juni 2012, in geding gebracht. Hierin is nader uiteengezet dat de brief van huisarts H.N. Thoonsen van 29 juni 2010 geen argumenten aandraagt om appellante meer of anders te beperken dan is aangenomen. De Raad heeft geen aanleiding om de bezwaarverzekeringsarts in die zienswijze niet te volgen. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad evenmin aanleiding ziet om een deskundige te benoemen. 4.
- Ten slotte kan worden vastgesteld dat er evenmin aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de belasting die is verbonden aan de functies die bij de schatting in aanmerking zijn genomen de voor appellante vastgestelde belastbaarheid overschrijdt.
- Uit hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli
- (getekend) J.W. Schuttel (getekend) J.R. Baas HD