Centrale Raad van Beroep 11/485 WW-T Meervoudige kamer Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 december 2010, 09/5723 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M. Adansar, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en geantwoord op een vraag van de Raad. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2012. Appellant en mr. Adansar zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.A. Loogman. Het onderzoek is heropend omdat is gebleken dat het niet volledig is geweest. Op verzoek van de Raad hebben partijen nadere stukken ingezonden. De Raad heeft nadere stukken opgevraagd bij de rechtbank. Appellant heeft op de nadere stukken zijn reactie gegeven. Met toestemming van partijen is bepaald dat verder onderzoek ter zitting achterwege kan blijven, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant is in 2006 in dienst getreden van [naam werkgeefster] (werkgeefster) als beveiligingsemployé. In de door appellant met werkgeefster gesloten arbeidsovereenkomst is opgenomen: “De overeenkomst wordt aangegaan onder de ontbindende voorwaarde dat werknemer over een wettelijk vereist, geldig legitimatiebewijs particuliere beveiligingsorganisatie beschikt. (…) Ingeval het legitimatiebewijs door de daartoe bevoegde instantie tussentijds wordt ingetrokken of niet wordt verlengd, dan eindigt het dienstverband van rechtswege op de dag waarop werkgeefster verneemt dat het legitimatiebewijs is ingetrokken of niet wordt verlengd.” 1.2. In artikel 7 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus is (voor zover in dit geding van belang) bepaald: “2. Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef van het politiekorps in de regio waar de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd. (…) (…) 6. De toestemming, bedoeld in het (…) tweede (…) lid kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.” In artikel 9, achtste lid, van die wet is bepaald: “Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een vergunning is verleend draagt er zorg voor dat de personen die zijn belast met beveiligingswerkzaamheden onderscheidenlijk recherchewerkzaamheden, bij de uitvoering van hun werkzaamheden een legitimatiebewijs bij zich dragen waarvan een model is vastgesteld door Onze Minister en dat zij dit op verzoek tonen.” Uit deze bepalingen volgt dat een werknemer van een beveiligingsorganisatie alleen met beveiligingswerkzaamheden kan worden belast als hij beschikt over een geldig legitimatiebewijs, dat hij na toestemming van de korpschef verkrijgt. 1.3. De korpschef van politie Amsterdam-Amstelland (korpschef) heeft aan werkgeefster op 23 mei 2006 voor een periode van drie jaar toestemming verleend om ten behoeve van zijn bedrijf appellant (beveiligings)werkzaamheden te laten verrichten. Met een op 1 april 2009 door de korpschef ontvangen aanvraag heeft werkgeefster voor appellant opnieuw toestemming gevraagd. Bij een aan appellant bekend gemaakt besluit van 7 april 2009 heeft de korpschef te kennen gegeven dat aan werkgeefster de gevraagde toestemming wordt onthouden omdat appellant niet (langer) van onbesproken gedrag is. Hij is in juli 2006 een transactie aangegaan in verband met heling en is in februari 2009 (in hoger beroep) veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete in verband met het gebruik van geweld tegen parkeermedewerkers van de dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam in juni 2007. Bij een eveneens aan appellant bekend gemaakt besluit van 17 april 2009 heeft de korpschef te kennen gegeven dat de op 23 mei 2006 aan werkgeefster verleende toestemming wordt ingetrokken. 1.4. In de besluiten van 7 april 2009 en 17 april 2009 is opgenomen dat werkgeefster door de korpschef alleen op de hoogte is gesteld van de onthouding van de gevraagde toestemming en van de intrekking van de eerder verleende toestemming; de motivering van de besluiten is ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van appellant niet gepreciseerd aan werkgeefster bekend gemaakt. 1.5. Werkgeefster heeft appellant op 24 april 2009 mondeling kenbaar gemaakt dat het dienstverband met hem zal worden beëindigd, dat een ontslagvergunning zal worden gevraagd, dat appellant wordt geschorst en de loonbetaling aan hem wordt gestaakt. Bij brief van 27 april 2009 heeft werkgeefster aan appellant meegedeeld dat hij de overeengekomen ontbindende voorwaarde inroept en de arbeidsovereenkomst vanaf 7 april 2009 als geëindigd beschouwt. Daaraan is toegevoegd dat “volledigheidshalve” een ontslagvergunning zal worden gevraagd. 1.6. Appellant heeft een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Het Uwv heeft deze uitkering bij besluit van 29 juni 2009 met ingang van 7 april 2009 geweigerd op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden, omdat hij had kunnen weten dat een negatieve screening een dringende reden voor ontslag is. 1.7. Bij besluit van 30 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 29 juni 2009 onder wijziging van de motivering ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de WW-uitkering blijvend geheel moet worden geweigerd als gevolg van verwijtbare werkloosheid, omdat aan de werkloosheid van appellant een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens het Uwv miste appellant in ernstige mate de geschiktheid om zijn functie van beveiligingsemployé in dienst van werkgeefster te vervullen. 1.8. De kantonrechter heeft bij vonnis van 6 april 2010 de loonvordering van appellant op werkgeefster toegewezen over de periode van 7 april 2009 tot 24 april 2009. Volgens de kantonrechter is de arbeidsovereenkomst weliswaar tot een einde gekomen met het inroepen van de ontbindende voorwaarde door werkgeefster, maar heeft appellant aanspraak op loon tot 24 april 2009 omdat hij tot deze datum voor werkgeefster werkzaam is geweest. Appellant heeft tegen het vonnis van de kantonrechter geen rechtsmiddel aangewend. 1.9. De korpschef heeft de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 7 april 2009 en 17 april 2009 ongegrond verklaard. Tegen deze beslissingen op bezwaar heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend. 2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard en zij heeft dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd. Volgens de rechtbank heeft het Uwv nagelaten alle omstandigheden van het geval bij zijn besluitvorming te betrekken. De rechtbank heeft aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat meewegen van die omstandigheden, waaronder de leeftijd van appellant, de duur van zijn dienstverband met werkgeefster en zijn goede functioneren, niet afdoen aan het feit dat het ontbreken van de vereiste toestemming om als beveiligingsmedewerker te werken een dringende reden oplevert, die appellant kan worden verweten. 3.1. Het hoger beroep van appellant betreft het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. Volgens appellant ligt aan zijn werkloosheid geen arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag. Werkgeefster, die bekend was met de feiten die voor de korpschef aanleiding waren geweest voor de besluiten van 7 april 2009 en 17 april 2009, heeft daarin geen dringende reden gezien de arbeidsovereenkomst te beëindigen, maar slechts een beroep gedaan op de ontbindende voorwaarde. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 23 november 2011, LJN BU6412, heeft appellant betoogd dat het dienstverband nog enige tijd had kunnen voortduren, ook in de situatie waarin appellant in verband met het ontbreken van toestemming niet meer als beveiligingsmedewerker zou kunnen functioneren. Appellant heeft tot slot naar voren gebracht dat werkgeefster hem heeft gezegd dat het ontslag zou kunnen worden teruggedraaid als de screening alsnog positief zou uitvallen. Volgens appellant is miskend dat de strafbare feiten in 2006 en 2007 kleine vergrijpen betreffen. 3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Volgens het Uwv brengt de functie van beveiligingsmedewerker mee dat ook aan het gedrag in de privésfeer bijzondere eisen mogen worden gesteld. In dat verband acht het Uwv van belang dat werkgeefster in een telefoongesprek met een medewerker van het Uwv op 10 februari 2010 te kennen heeft gegeven dat al zijn medewerkers zowel privé als zakelijk bij hun handelen integriteit en vertrouwen dienen uit te stralen en dat appellant hoogstwaarschijnlijk niet op zijn werkplek zal kunnen terugkeren als de korpschef alsnog of opnieuw toestemming verleent. Het Uwv heeft erop gewezen dat de zaak van appellant in dit opzicht verschilt van de zaak waarover de Raad zich op 23 november 2011 (zie onder 3.1) heeft uitgesproken. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Voor het toepasselijke wettelijke kader en voor de invulling die de Raad in zijn rechtspraak heeft gegeven aan het begrip dringende reden in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW wordt verwezen naar overwegingen 2.1 tot en met 2.5 van de aangevallen uitspraak. 4.2. Uit de in de arbeidsovereenkomst opgenomen ontbindende voorwaarde volgt dat het bezit van een geldig legitimatiebewijs voor werkgeefster van een zo groot belang was dat het niet behouden daarvan een reden is om de arbeidsovereenkomst onmiddellijk te doen eindigen. Zoals is overwogen in de door partijen aangehaalde uitspraak van 23 november 2011 brengt dat echter niet zonder meer mee dat het niet langer beschikken over een geldig legitimatiebewijs ook als een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW moet worden aangemerkt. Bij een arbeidsrechtelijke dringende reden gaat het om daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer zelf, die de werkgever hebben genoopt tot het beëindigen van de dienstbetrekking, van een zodanige ernst dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Uit het enkele niet meer beschikken over een geldig legitimatiebewijs vloeit objectief bezien direct voort dat appellant geen beveiligingswerkzaamheden meer konden worden opgedragen, wat meebracht dat de loonbetaling aan hem kon worden gestaakt maar hierdoor ontstaat niet een directe noodzaak om het dienstverband met appellant met onmiddellijke ingang te beëindigen. 4.3. Bij de toepassing van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is het niet nodig dat een werknemer daadwerkelijk op staande voet is ontslagen. In dit kader moet worden beoordeeld of (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.