Centrale Raad van Beroep 12/246 WWB, 12/247 WWB Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 7 december 2011, 11/750 en 11/1546 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het dagelijks bestuur van de Sociale Dienst Veluwerand (dagelijks bestuur) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B.J.H.L. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door G.J. van Bussel. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant ontving sinds 28 februari 2008 op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) bijstand naar de norm voor een alleenstaande. 1.2. Naar aanleiding van een bij het dagelijks bestuur gerezen vermoeden dat appellant werkzaamheden had verricht en auto’s op zijn naam had staan zonder daarvan bij het dagelijks bestuur melding te maken, heeft de sociale recherche regio Noord-Veluwe een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd een rapport van 21 februari 2011, later aangevuld bij een rapport van 6 juli 2011. 1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 9 december 2010, zoals gehandhaafd bij besluit van 13 april 2011 (bestreden besluit 1), de bijstand met ingang van 25 september 2010 te beëindigen (lees: in te trekken). Daaraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het dagelijks bestuur niet te melden dat hij geldbedragen van zijn familie ontving, inkomsten uit arbeid heeft genoten en dat, blijkens het register van de Dienst Wegverkeer (RDW), auto’s op zijn naam stonden geregistreerd. Als gevolg van die schending kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. 1.4. De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur voorts aanleiding geweest om bij besluit van 16 mei 2011, zoals gehandhaafd bij besluit van 21 september 2011 (bestreden besluit 2), de bijstand van appellant in te trekken over de periode van 28 februari 2008 tot 25 september 2010 en de kosten van de over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 32.508,-- van appellant terug te vorderen. Daaraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het dagelijks bestuur niet te melden dat hij gelden van zijn familie ontving, inkomsten uit arbeid heeft genoten en dat van 23 januari 2010 tot 18 mei 2010 een auto, merk [merk] met kenteken [nummer] (volkswagen) op zijn naam stond geregistreerd. Als gevolg van die schending kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, bestreden besluit 2 gedeeltelijk vernietigd, voor zover dit ziet op de periode na 22 januari 2010 en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de gelden die hij van zijn familie ontving, zijn werkzaamheden en de auto’s die hij op zijn naam heeft gehad. Als gevolg van die schending kan het recht op bijstand over de periode van 25 februari 2008 tot en met 22 januari 2010 niet worden vastgesteld. Ondanks schending van de inlichtingenverplichting kan het recht op bijstand vanaf 23 januari 2010 wel worden vastgesteld. Gelet op de waarde van de volkswagen (€ 10.000,--) had appellant, vanwege overschrijding van de voor hem geldende vermogensgrens, vanaf 23 januari 2010 immers geen recht op bijstand. 3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank bestreden besluit 2 niet heeft vernietigd en heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 en die van het vernietigde gedeelte van bestreden besluit 2 in stand blijven. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Ter zitting heeft het college te kennen gegeven dat aan de bestreden besluiten niet langer ten grondslag wordt gelegd dat appellant niet heeft gemeld dat hij, behalve de volkswagen, nog andere auto’s op zijn naam had staan. Appellant heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij niet langer bestrijdt dat hij niet aan het college heeft gemeld dat hij inkomsten uit arbeid heeft genoten. Appellant heeft, voor zover thans nog van belang, tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat zijn familie hem ondersteunde door middel van leningen en dat hij niet heeft begrepen dat hij daarvan melding moest maken bij het dagelijks bestuur. Appellant heeft verder aangevoerd dat de volkswagen niet tot zijn vermogen behoorde, maar eigendom was van zijn zus. De ondersteuning door familieleden 4.2. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. 4.3. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, heeft een alleenstaande recht op algemene bijstand indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.