Centrale Raad van Beroep 11/6964 en 11/6965 ZVW Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 oktober 2011, 10/1782 en 10/4635 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (België) (appellante) College voor zorgverzekeringen (Cvz) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft haar zoon J.W.P.R. Tjeenk Willink hoger beroep ingesteld. Cvz heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben stukken ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni
- Namens appellante is verschenen J.W.P.R. Tjeenk Willink. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
- Appellante woont in België en ontvangt een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een pensioen van de Stichting Pensioenfonds Medische Specialisten. 1.
- Ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellante door Cvz als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft zij op grond van verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) recht op zorg in het woonland (België), ten laste van Nederland (het pensioenland). Voor dit recht op zorg is ingevolge artikel 69 van de Zvw een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage). Appellante heeft zich met ingang van 1 januari 2006 met een E-121 formulier ingeschreven bij het bevoegde orgaan van haar woonplaats. Door dit orgaan is bevestigd dat zij in België is ingeschreven. 1.
- Bij besluit van 19 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft Cvz het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 maart 2010 waarbij de buitenlandbijdrage 2006 definitief is vastgesteld op € 3.002,45 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Gelet op hetgeen ter zitting van de Raad is besproken is tussen partijen in geschil of appellante over 2006 bijdrageplichtig is. 4.
- Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat Cvz zich terecht en op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellante in 2006 verdragsgerechtigd is, dat zij recht heeft op zorg in België, ten laste van Nederland en dat zij voor dit recht op zorg een buitenlandbijdrage verschuldigd is. 4.
- Het imperatief gestelde in artikel 69 van de Zvw laat Cvz geen ruimte om in verband met de door appellante aangevoerde omstandigheden dat Cvz tekort is geschoten in zijn informatieplicht en dat de Belgische Mutualiteit haar onjuist heeft geïnformeerd, af te zien van het opleggen van de buitenlandbijdrage. Van toezeggingen gedaan door Cvz dat in strijd met artikel 69 van de Zvw niet tot vaststelling van de buitenland bijdrage wordt overgegaan is geen sprake. Overigens is appellante door Cvz bij brief van december 2005 geïnformeerd over de gevolgen van de per 1 januari 2006 inwerkingtredende Zvw. 4.
- Gelet op hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus
- (getekend) J. Brand (getekend) S. Aaliouli EH