12/1357 WAO Datum uitspraak: 31 juli 2013 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 31 januari 2012, 11/1141 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld en heeft mr. J.J.B. van den Elsaker de aanvullende gronden van het hoger beroep ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni
- Namens appellant zijn verschenen zijn broer M.R. Gesthuizen en mr. Van den Elsaker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith. OVERWEGINGEN
- Bij besluit van 27 februari 2006 heeft het Uwv een aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 januari 2006 ingetrokken. Naar aanleiding van een verzoek van appellant om heropening van de uitkering heeft het Uwv de WAO-uitkering bij besluit van 27 mei 2009 met ingang van 25 maart 2009 heropend. Tegen deze besluiten heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. 2.
- Bij brief van 24 augustus 2010 heeft appellant het Uwv verzocht om de heropening van de WAO-uitkering met ingang van 1 januari 2006 in te laten gaan, welk verzoek is opgevat als een verzoek om terug te komen van de bij het besluit van 27 mei 2009 vastgestelde datum van heropening van de WAO-uitkering. 2.
- Bij besluit van 20 september 2010 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen, vanwege het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. 2.
- Het Uwv heeft bij besluit van 17 februari 2011 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 20 september 2010 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant aan zijn verzoek om herziening van het besluit van 27 mei 2009 ten grondslag heeft gelegd, dat hij als gevolg van psychische problematiek onvoldoende in staat is geweest tegen de bij het besluit van 27 mei 2009 vastgestelde ingangsdatum te ageren. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet gebleken is, dat appellant deze omstandigheden niet in bezwaar tegen het besluit van 27 mei 2009 had kunnen aanvoeren. De rechtbank ziet in de door appellant aangevoerde omstandigheden geen aanleiding voor twijfel aan de conclusies van het Uwv dat zich geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben voorgedaan.
- Appellant heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat van het Uwv verwacht had mogen worden dat men ambtshalve een onderzoek had ingesteld naar de verwijtbaarheid van de gedragingen van appellant die in 2006 aanleiding zijn geweest de WAO-uitkering met ingang van 1 januari 2006 in te trekken.
- De Raad overweegt als volgt. 5.
- Van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen mag, overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, worden verlangd dat hij bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermeldt die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit. 5.
- Uit het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken, dat namens appellant niet bestreden is dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Daarvan uitgaande kan, gelet op hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd, niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. De stelling van appellant dat het Uwv los van het toetsingskader van artikel 4:6 van de Awb ambtshalve de bevoegdheid heeft om terug te komen van rechtens onaantastbare besluiten moge zo zijn, het maakt de beoordeling niet anders. Dit onttrekt zich immers aan de bevoegdheid die de bestuursrechter in het kader van een beoordeling op grond van artikel 4:6 van de Awb toekomt. 5.
- Uit hetgeen is overwogen in 5.1 en 5.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli
- (getekend) M.C. Bruning (getekend) K.E. Haan EH