Centrale Raad van Beroep 12/615 ZVW Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 december 2011, 11/2371 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (Frankrijk) (appellant) College voor zorgverzekeringen (Cvz) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld . Cvz heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni
- Appellant is verschenen en werd bijgestaan door zijn zoon [naam zoon]. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant woont in Frankrijk en ontvangt een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). 1.
- Cvz heeft op grond van de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (Zvw) appellant als verdragsgerechtigde in de zin van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo. 1408/71) aangemerkt en gesteld dat appellant recht heeft op zorg in het woonland (Frankrijk), ten laste van Nederland (het pensioenland). Voor dit recht op zorg is een bijdrage (buitenlandbijdrage) verschuldigd die wordt ingehouden op het Nederlandse pensioen. Bij brief gedateerd december 2005 heeft Cvz appellant daarover geïnformeerd. Appellant heeft zich met een E-121 formulier op 12 februari 2010 ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonplaats, CPAM. Door Cvz is op 27 mei 2011 bevestigd dat hij met ingang van 1 januari 2006 in Frankrijk is ingeschreven. 1.
- Bij besluit van 25 maart 2011 (bestreden besluit) heeft Cvz het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 februari 2011 waarbij de jaarafrekening voor de buitenlandbijdrage voorlopig is vastgesteld op € 4.134,82 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank kort samengevat overwogen dat de buitenlandbijdrage in overeenstemming met de Zvw is vastgesteld. 3.
- Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellant het volgende aangevoerd. Omdat Cvz hem pas op 15 februari 2010 heeft geïnformeerd over zijn recht op zorg met ingang van 1 januari 2006 heeft hij in de tussenliggende periode een (particuliere) ziektekostenverzekering afgesloten en heeft hij de door hem gemaakte ziektekosten niet bij CPAM kunnen claimen. De onjuiste uitvoering van Vo. 1408/71 door CPAM en Cvz mag naar zijn stelling niet voor zijn rekening komen. 3.
- Cvz heeft, naar appellant heeft gesteld, over 2008 geen recht op een buitenlandbijdrage en dient de premies van de door hem ten onrechte afgesloten (particuliere) ziektekostenverzekering te vergoeden.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Het oordeel van de rechtbank als weergegeven onder 2 is juist. 4.
- Voor de toepasselijke regelgeving wordt verwezen naar de prejudiciële vraagstelling aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 26 augustus 2009 (LJN BJ5891) en naar het arrest van het Hof van 14 oktober 2010, Van Delft e.a. (C-345/09, LJN BO1908). 4.3.
- Het Hof heeft - samengevat - overwogen dat de artikelen 28 en 28bis van de Vo 1408/71 dwingend zijn voor de sociaal verzekerden die onder de werkingssfeer van deze bepalingen vallen en dat het niet ingeschreven zijn bij het bevoegde orgaan van zijn woonplaats niet betekent dat zij niet bijdrageplichtig zijn. Het niet ingeschreven zijn waardoor sociaal verzekerden verstrekkingen in die staat niet effectief kunnen ontvangen, doet niet af aan het bestaan van het recht op die verstrekkingen en de bijdrageplicht. In artikel 69 van de Zvw is imperatief bepaald dat de buitenlandbijdrage is verschuldigd. 4.3.
- Het imperatief gestelde artikel 69 van de Zvw laat Cvz geen ruimte om in verband met de omstandigheid dat appellant eerst in februari 2010 is ingeschreven bij CPAM af te zien van het opleggen van de buitenlandbijdrage. De handelswijze van het CPAM - wat daar verder ook van zij - kan er niet toe leiden dat voor Cvz de verplichting ontstaat de besluiten in strijd met artikel 69 van de Zvw. De Zvw biedt geen ruimte voor een vergoeding als waarom door appellant is gevraagd als vermeld in 3.
- Voor een vergoeding in de vorm van een schadevergoeding is geen plaats nu van een gegrond beroep geen sprake is. 4.3.
- Gelet op hetgeen onder 4.3.
- en 4.3.
- is overwogen ziet de Raad geen aanleiding om - zoals door appellant ter zitting van de Raad is verzocht - prejudiciële vragen aan het Hof te stellen. 4.
- Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak;- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus
- (getekend) J. Brand (getekend) S. Aaliouli EH