11/2581 WWB Datum uitspraak: 20 augustus 2013 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 maart 2011, 10/2086 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Op 22 november 2011 heeft mr. D.D. Pietersz, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pietersz. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. van der Voorn. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Op 28 december 2009 heeft appellant een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) voor extra stookkosten in verband met chronische longklachten. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) heeft op verzoek van het college op 12 februari 2010 een advies verstrekkingen bijzondere bijstand uitgebracht. Het CIZ komt tot de conclusie dat appellant een chronische aandoening heeft van de luchtwegen. Appellant heeft een indicatie voor een gelijkmatig verwarmde droge, goed te ventileren woning. Gelijkmatig verwarmd betekent volgens het CIZ een omgevingstemperatuur van minimaal 18 graden Celsius. Er hoeft niet extra gestookt te worden. 1.
- Gelet op het advies van het CIZ heeft het college bij besluit van 16 februari 2010, gehandhaafd bij besluit van 21 mei 2010 (bestreden besluit), de aanvraag van appellant afgewezen.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft betoogd dat het college het advies van het CIZ niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen, omdat het niet deugdelijk en inzichtelijk is. Appellant meent concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het advies te hebben aangedragen.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Artikel 35, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen, voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, van de WWB niet van toepassing zijn. 4.
- Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. 4.
- Ter zitting heeft appellant verklaard dat hem bijzondere bijstand is toegekend voor extra stookkosten over de periode oktober 2012 tot en met maart 2013 en oktober 2013 tot en met maart 2014, onder bepaalde voorwaarden. In de periode daaraan voorafgaande heeft appellant geen extra stookkosten gemaakt, omdat hij die naar eigen zeggen niet kon betalen. Gelet hierop is geen sprake van kosten als bedoeld in artikel 35 van de WWB, zodat het college terecht geen bijzondere bijstand voor extra stookkosten heeft verleend. 4.
- Uit 4.3 volgt dat de overige gronden van appellant geen bespreking meer behoeven. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus
- (getekend) M. Hillen (getekend) V.C. Hartkamp HD