Centrale Raad van Beroep 11/532 AWBZ Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 december 2010, 10/1525 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R.E.F. Bergwerf Bok, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli
- Voor appellante is verschenen mr. M.E. Bosman, advocaat en optredend in plaats van mr. Bergwerf Bok. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Benedictus en H.B.A. Siero. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
- De rechtbank is op de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het beroep van appellante tegen het besluit van CIZ van 15 maart 2010 ongegrond is. Bij dit besluit is aan appellante een persoonsgebonden budget voor persoonlijke verzorging, klasse 2, toegekend voor de periode van 23 juli 2009 tot 23 juli
- Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd. Ook in hoger beroep stelt appellante dat haar beperkingen schromelijk worden onderschat, dat zij veel zieker is dan door het CIZ is aangenomen en dat het door CIZ verrichte medische onderzoek naar die beperkingen - waaraan zij, naar zij stelt, haar volle medewerking heeft verleend - onzorgvuldig is geweest. Zij heeft de Raad verzocht een nader onderzoek te laten uitvoeren door drie gepromoveerde medische deskundigen. 3.
- Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de gronden van beroep van appellante afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. 3.
- De Raad voegt hier nog het volgende aan toe. 3.
- Appellante verwijst in het hoger beroepschrift naar een eerdere uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 november 2010, waarbij is vastgesteld dat zij in de bezwaarfase van een op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) door het college van burgemeester en wethouders van Arnhem genomen besluit, heeft meegewerkt aan een huisbezoek van een CIZ-arts en stelt dat daaruit blijkt dat de rechtbank haar in de aangevallen uitspraak ten onrechte verwijt geen medewerking te hebben willen verlenen aan een medisch onderzoek door CIZ. 3.
- Uit de gedingstukken in de Wmo-zaak blijkt dat appellante inderdaad op zeker moment, ten behoeve van een beoordeling in het kader van een Wmo-aanvraag voor huishoudelijke hulp, een indicatieadviseur van de organisatie de MO-zaak voor huisbezoek heeft toegelaten. Voor beoordelingen in het kader van de Wmo gelden echter andere criteria en dienen andere afwegingen gemaakt te worden dan wanneer het een beoordeling betreft in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Appellante heeft onderzoek door een deskundige arts van CIZ, het orgaan dat beslissingsbevoegd is in AWBZ-aanvragen, niet toegestaan. Daarbij heeft appellante geen toestemming gegeven aan CIZ om informatie op te vragen bij de behandelende specialisten zodat de CIZ-arts bij de medische beoordeling van de aanvraag geen objectief verifieerbare informatie tot haar beschikking had. De Raad onderschrijft daarom het oordeel van de rechtbank, dat eventueel hieruit voortvloeiende gebreken in de besluitvorming geheel voor rekening en risico van appellante dienen te komen. 3.
- Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en W.H. Bel en G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus
- (getekend) H.J. de Mooij (getekend) J.R. Baas JvC