← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:1516

Centrale Raad van Beroep 12/5295 AOW-T Enkelvoudige kamer Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 september 2012, 12/702 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats], Duitsland (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei

  1. Appellant is daarbij verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Boot. OVERWEGINGEN 1.
  2. Bij besluit van 28 juli 2011 heeft de Svb aan appellant, geboren 17 januari 1947, met ingang van januari 2012 een ouderdomspensioen toegekend op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Daarbij is op het ouderdomspensioen een korting toegepast van 96%, omdat appellant tussen zijn vijftiende en vijfenzestigste verjaardag 48 jaren niet verzekerd is geweest voor de AOW. 1.
  3. Bij brief gedateerd 12 november 2011 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 juli
  4. Daarbij heeft appellant gesteld dat hij recht heeft op een hoger ouderdomspensioen ingevolge de AOW, aangezien hij op veertienjarige leeftijd heeft gewerkt en er toen premies voor de Nederlandse volksverzekeringen zijn ingehouden op zijn inkomen. 1.
  5. Bij besluit van 16 januari 2012 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juli 2011 niet-ontvankelijk verklaard wegens een onverschoonbaar geachte overschrijding van de bezwaartermijn.
  6. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3.
  7. Ter zitting heeft de gemachtigde van de Svb te kennen gegeven dat het bezwaar van appellant bij het bestreden besluit ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. 3.
  8. Appellant heeft vervolgens meegedeeld dat hij volhardt in het standpunt dat hij recht heeft op een hoger ouderdomspensioen, omdat hij op viertienjarige leeftijd heeft gewerkt en er toen premies voor de Nederlandse volksverzekeringen zijn ingehouden op zijn inkomen. 4.
  9. De Raad overweegt als volgt. 4.
  10. Tussen partijen is niet meer in geschil en ook voor de Raad staat vast dat het bezwaar van appellant bij het bestreden besluit ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Dit leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, en het bestreden besluit moeten worden vernietigd. 4.
  11. Vervolgens moet worden vastgesteld dat de Svb in het bestreden besluit niet - subsidiair - een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de aanspraak van appellant op een ouderdomspensioen ingevolge de AOW. De in de begeleidende brief bij het bestreden besluit gegeven motivering kan niet aangemerkt worden als een subsidiaire motivering in dat besluit. Dit betekent dat thans geen oordeel kan worden gegeven over de door appellant gestelde aanspraak op een ouderdomspensioen ingevolge de AOW. 4.
  12. Met het oog op het kunnen geven van een finaal oordeel in dit geschil ziet de Raad aanleiding de Svb met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet op te dragen alsnog inhoudelijk te beslissen op het bezwaar van appellant ten einde aldus het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep draagt de Svb op om binnen zes weken na het verzenden van deze tussenuitspraak het in 4.2 en 4.3 vermelde gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen. Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus
  13. (getekend) T.L. de Vries (getekend) Z. Karekezi EH

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.