← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:1582

Centrale Raad van Beroep 10/6919 ZVW Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 november 2010, 10/469 (aangevallen uitspraak) Partijen: CAK B.V. (appellant) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.N.F. van der Gaarden. Betrokkene is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant heeft de aanvraag van betrokkene om compensatie van het eigen risico (CER) voor het jaar 2009, als bedoeld in artikel 118a van de Zorgverzekeringswet (Zvw) bij besluit van 23 december 2009 afgewezen omdat aan haar in 2007 en 2008 minder dan 180 standaard dagdoseringen (DDD’

  1. s)van werkzame stoffen zijn afgeleverd. 1.2. Bij het besluit van 29 maart 2010 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 23 december 2009 ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant verwezen naar het bijgevoegde overzicht van de bepaling farmaceutische kostengroepen (FKG’
  2. s)ten behoeve van CER 2009. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat uit het overzicht van de aan betrokkene afgeleverde medicatie blijkt dat aan betrokkene meer standaard dagdoseringen (DDD’
  3. s)van medicatie met werkzame stoffen zijn verstrekt die aanleiding zouden kunnen geven tot indeling in een FKG. Gelet op het verschil tussen de door Vektis aangeleverde informatie en het overzicht van de aan betrokkene afgeleverde medicatie was appellant - onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad (LJN BN9985) - gehouden nader onderzoek te verrichten en kon niet slechts worden volstaan met een verwijzing naar de door Vektis verstrekte informatie. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Volgens appellant heeft betrokkene nimmer een overzicht van de aan haar afgeleverde medicatie verstrekt zodat er geen verschil tussen de door Vektis aangeleverde informatie en het overzicht van de aan betrokkene afgeleverde informatie kan bestaan. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. De Raad verwijst voor het van toepassing zijnde wettelijke kader en de uitleg die daaraan moet worden gegeven naar zijn uitspraak van 7 september 2011 (LJN BR7037). 4.2. De Raad stelt op grond van de dossierstukken vast dat betrokkene slechts heeft gesteld dat zij in verband met haar gebruik van medicijnen recht heeft op CER voor het jaar 2009 en dat zij haar stelling niet met feitelijke gegevens heeft onderbouwd. Er is, anders dan door de rechtbank is aangenomen, door betrokkene zelf geen overzicht verstrekt van de aan haar in 2007 en 2008 afgeleverde medicatie. Appellant behoefde onder deze omstandigheden geen nader onderzoek te doen naar de juistheid en/of volledigheid van de van Vektis verkregen gegevens. Het beroep van appellant treft doel. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. 4.3. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad beoordelen of het beroep tegen het bestreden besluit al dan niet gegrond dient te worden verklaard. 4.4. Uit de door Vektis aan appellant aangeleverde gegevens blijkt dat aan betrokkene in de jaren 2007 en 2008 minder dan 180 DDD’s van een relevante werkzame stof zijn afgeleverd. Aangezien betrokkene dat niet onderbouwd heeft weerlegd, ziet de Raad geen aanknopingspunten om daar niet van uit te gaan. Dit betekent dat betrokkene niet voldoet aan de voorwaarde dat in beide jaren sprake moet zijn geweest van de aflevering van meer dan 180 DDD’s van een relevante werkzame stof. Het beroep van betrokkene dient ongegrond te worden verklaard. 5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - vernietigt de aangevallen uitspraak; - verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2013. (getekend) J. Brand (getekend) Z. Karekezi QH

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.