← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:1610

12/4196 AWBZ-V Datum uitspraak: 30 augustus 2013 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 13 juni 2012, 11/738 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor) PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 9 januari 2013 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de uitspraak van de Raad van 9 januari 2013 heeft appellant verzet gedaan. Het verzet is behandeld ter zitting van 23 juli

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn voormalige begeleider [naam begeleider]. Het Zorgkantoor is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 9 januari 2013 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend, was 25 juli
  2. Het hogerberoepschrift is gedateerd 22 juli 2012 en is op 26 juli 2012 per aangetekende post verzonden. Het is op 27 juli 2012 bij de Raad ontvangen. Daarmee staat vast dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend. Ter zitting heeft appellant aangevoerd dat hij sinds 2009 geen begeleiding meer heeft en dat hij de procedure niet begreep. Appellant weet niet waarom het hogerberoepschrift te laat is ingediend.[naam begeleider] heeft daaraan toegevoegd dat hij de administratie van appellant een tijdje heeft verzorgd. Sinds appellant zijn administratie zelf doet, is deze niet meer op orde. De Raad ziet in hetgeen is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Appellant heeft geen verklaring kunnen geven voor het feit dat hij zijn op 22 juli 2012 opgestelde beroepschrift pas op 26 juli 2012 ter post heeft bezorgd. Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat appellant niet in verzuim is geweest, moet het verzet ongegrond worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding. Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval zal het betaalde griffierecht (€ 115,-) door de griffier van de Raad aan appellant worden terugbetaald. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus
  3. (getekend) T.G.M. Simons (getekend) D.W.M. Kaldenhoven TM

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.