11/4041 AWBZ-V Datum uitspraak: 30 augustus 2013 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 31 mei 2011, 10/4559 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te[woonplaats] (appellant) Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor) PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 9 november 2011 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de uitspraak van de Raad van 9 november 2011 heeft appellant verzet gedaan. Het verzet is uiteindelijk behandeld ter zitting van 23 juli
- Appellant is verschenen met zijn partner. Het Zorgkantoor is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 9 november 2011 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 9 september 2011 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Vaststaat dat het griffierecht niet is betaald. Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij een aantal keren telefonisch contact heeft gehad met de griffie van de Raad. Tijdens een van die gesprekken heeft een medewerker van de Raad desgevraagd laten weten dat appellant geen griffierecht verschuldigd was. De Raad stelt voorop dat in de brief van 9 september 2011 duidelijk staat vermeld dat appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk zal worden behandeld indien het griffierecht niet op tijd wordt betaald. Wellicht is er bij appellant verwarring ontstaan, zoals ook ter zitting door (de partner van) appellant is erkend, tussen de verschuldigdheid van het griffierecht en de in het telefoongesprek met een medewerker van de Raad door appellant gestelde vraag of hij proceskosten verschuldigd was. Die vraag is toen ontkennend beantwoord. De Raad ziet in deze omstandigheid echter geen grond voor het oordeel dat het verzuim appellant niet kan worden verweten. Het verzet moet ongegrond worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding. Ter zitting heeft appellant duidelijk gemaakt dat het hem er voornamelijk om gaat dat hij een duidelijke uitleg krijgt over de besluitvorming van het Zorgkantoor en dat het Zorgkantoor zich niet voldoende inspant om die te geven. Naar aanleiding daarvan heeft de Raad met appellant de mogelijkheid besproken om met het Zorgkantoor in gesprek te gaan. Appellant heeft aangegeven daarvoor open te staan en daaraan graag te zullen meewerken. De Raad geeft daarom het Zorgkantoor, door interventie van het Team Informatievoorziening AWBZ, dringend in overweging de mogelijkheden daartoe met appellant te verkennen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus
- (getekend) T.G.M. Simons (getekend) D.W.M. Kaldenhoven HD