11/4400 ZVW Datum uitspraak: 9 oktober 2013 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2011, 10/5765 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te[woonplaats] (Frankrijk) (appellante) het College voor zorgverzekeringen (Cvz) PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Cvz heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend, waaronder een nieuwe beslissing op bezwaar van 8 september 2011 en een besluit van 5 juli
- Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli
- Appellante is niet verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Storm van ’s Gravesande-Roelse. OVERWEGINGEN
- Bij besluit van 3 november 2010 heeft Cvz het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 maart 2010 ongegrond verklaard. Bij het besluit van 2 maart 2010 is appellante ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw) als verdragsgerechtigde aangemerkt en is vastgesteld dat zij ingevolge artikel 69 van de Zvw een bijdrage verschuldigd is (buitenlandbijdrage).
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 3 november 2010 niet-ontvankelijk verklaard. 3.
- Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 3.
- Cvz heeft het besluit van 3 november 2010 niet gehandhaafd. Bij nieuwe beslissing op bezwaar van 8 september 2011 is het besluit van 2 maart 2010 ingetrokken omdat appellante geen buitenlandbijdrage verschuldigd is. Bij besluit van 5 juli 2013 is de verschuldigde wettelijke rente over de ten onrechte ingehouden buitenlandbijdrage vastgesteld.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Gelet op het feit dat Cvz bij nader besluit van 8 september 2011 heeft vastgesteld dat appellante geen buitenlandbijdrage verschuldigd is en vervolgens bij besluit van 5 juli 2013 de wettelijke rente over het totaal van de ten onrechte ingehouden buitenlandbijdrage heeft vergoed, is de Raad van oordeel dat er voor appellante geen procesbelang meer bestaat bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. 4.2.
- Appellante heeft verzocht om vergoeding van in beroep gemaakte kosten tot een bedrag van € 990,- en € 50,-, als weergegeven op het bij de rechtbank ingediende formulier proceskosten. Gelet op de in hoger beroep ter zake gegeven toelichting betreffen de gevorderde kosten ad € 990,- reiskosten in Frankrijk voor bezoek aan diverse instanties, kosten voor het inwinnen van juridisch advies en kosten voor het inschakelen van een tolk. Het bedrag van € 50,- betreft verschotten, bestaande uit kosten voor internationale telefoongesprekken en bankkosten voor het overmaken van het griffierecht. In hoger beroep heeft appellante een additionele proceskostenvergoeding gevraagd van € 28,50 voor enveloppen en portokosten. 4.2.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De kosten voor internationale telefoongesprekken zijn niet onderbouwd en worden om die reden niet vergoed. De overige geclaimde kosten komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; bepaalt dat Cvz het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 112,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober
- (getekend) J. Brand (getekend) S. Aaliouli JL