12/326 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 januari 2012, 11/4993 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te[woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. S. Salhi, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 6 augustus 2013, waar partijen, het college met bericht, niet zijn verschenen. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant ontvangt met ingang van 21 oktober 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Op 17 juni 2010 heeft appellant aan het college doorgegeven dat zijn zoon [naam zoon] (zoon), geboren [in] 1983, sinds ongeveer vier maanden niet meer bij hem woont aan het [adres 1] te[woonplaats]. Uit de gegevens van de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) is gebleken dat de zoon van 14 oktober 2009 tot 18 juni 2010 ingeschreven heeft gestaan op het voormelde adres van zijn ouders en dat hij op 18 juni 2010 is geëmigreerd. 1.
- Bij besluit van 29 september 2010 heeft het college de over de periode van 14 oktober 2009 tot en met 31 mei 2010 aan appellant verleende bijstand herzien en € 983,72 aan te veel ontvangen bijstand teruggevorderd. 1.
- Bij besluit van 10 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 september 2010 ongegrond verklaard. Het college heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat de inwoning van de meerderjarige zoon van appellant betekent dat ingevolge artikel 5 van de Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand (verordening) over de periode van 14 oktober 2009 tot en met 31 mei 2010 een verlaging op de uitkering van toepassing is van 10%, te weten een bedrag van in totaal € 983,72 netto.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij er niet van op de hoogte was dat zijn zoon op zijn adres stond ingeschreven, dat hij daarvoor geen toestemming aan zijn zoon heeft verleend, dat zijn zoon feitelijk ook niet bij hem in de woning verbleef en dat de herziening en de terugvordering daarom ten onrechte hebben plaatsgevonden.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- De overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak worden geheel onderschreven. Met name is van belang dat de inschrijving van de zoon in de GBA op het adres van zijn ouders uitsluitend heeft kunnen plaatsvinden met toestemming van de ouders, omdat zij de hoofdbewoners waren. Dat de zoon van appellant en zijn echtgenote feitelijk ook bij hem heeft gewoond blijkt uit de onder 1.1 genoemde mededeling van appellant op 17 juni
- Omdat de zoon ook bijstand ontving van het college, zijn voor hem bestemde poststukken vanwege het college naar het uitkeringsadres van appellant gezonden. Die poststukken zijn niet retour gekomen. Een ander adres van de zoon was niet bekend. 4.
- Uit 4.1 volgt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat de zoon gedurende de periode van 14 oktober 2009 tot en met 31 mei 2010 zijn hoofdverblijf heeft gehad op het adres van appellant. Daarom kwam appellant ingevolge artikel 5 van de verordening in aanmerking voor een verlaging van zijn uitkering met 10%. 4.
- Het college was dan ook bevoegd om de bijstand over genoemde periode te herzien. Appellant heeft de wijze waarop het college van zijn bevoegdheid tot herziening gebruik heeft gemaakt niet bestreden. 4.
- Gelet op het voorgaande was het college tevens bevoegd om de ten onrechte verleende bijstand over die periode terug te vorderen. Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft. 4.
- Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober
- (getekend) M. Hillen (getekend) J.T.P. Pot HD