← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:2285

12/6814 WSF Datum uitspraak: 30 oktober 2013 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 november 2012, 11/2943 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft[naam vader], vader van appellant, hoger beroep ingesteld. De Minister heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend waarop de Minister heeft gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september

  1. Voor appellant is zijn vader verschenen. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee. OVERWEGINGEN
  2. Bij besluit van 29 september 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van de Minister van 13 mei 2011 ongegrond verklaard. In het besluit van 13 mei 2011 heeft de Minister, onder toepassing van artikel 3.17 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), een vordering vastgesteld wegens teveel bijverdiensten van appellant in het jaar
  3. De Minister heeft, uitgaande van het door de belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen van appellant in 2008 van € 15.122,-, vastgesteld dat de voor 2008 gestelde bijverdiengrens van € 12.916,17 is overschreden, met als gevolg dat appellant in totaal een bedrag van € 2.039,64 aan de Minister moet betalen. De vordering is samengesteld uit € 1.101,72 meerinkomen en € 937,92 wegens het bezit van de OV-studentenkaart.
  4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  5. Appellant stelt in hoger beroep dat de bijverdiengrens niet is overschreden. Een door appellant in 2008 ontvangen lijfrente-uitkering van € 3.621,- is ten onrechte meegenomen bij de vaststelling van het verzamelinkomen respectievelijk het toetsingsinkomen over
  6. Deze component heeft niet betrekking op door appellant, maar op door zijn vader, verrichte inkomsten uit arbeid. Appellant heeft in hoger beroep een kopie van een schrijven van de belastingdienst overgelegd waarin een belastbaar inkomen in 2008 van € 10.084,- wordt vermeld.
  7. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  8. De Minister heeft het bij artikel 3.17 van de Wsf 2000 in aanmerking te nemen toetsingsinkomen van appellant ingevolge het bepaalde in artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 en artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), terecht vastgesteld op het door de Belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen van appellant over 2008 van € 15.122,-. Uit de bewoordingen van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awir volgt dat de vaststelling van het verzamelinkomen is voorbehouden aan de inspecteur van de Belastingdienst. De Minister was dan ook gehouden de vaststelling van het toetsingsinkomen van appellant te baseren op de gegevens van de Belastingdienst. Het is de Raad niet gebleken dat de Belastingdienst het verzamelinkomen van appellant over 2008 nader heeft vastgesteld op een bedrag van € 10.084,-. Uit het door appellant in hoger beroep overgelegde stuk van de Belastingdienst, met verwerkingsdatum 5 maart 2013, kan slechts worden afgeleid dat de Belastingdienst om de verschuldigde belasting te herrekenen in het kader van een verzoek om middeling, is uitgegaan van een gemiddeld belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) per jaar van € 10.084,- in de periode 2006 tot en met 2008 (het middelingstijdvak). Het aldus herrekende belastbaar inkomen is enkel en alleen een rekeneenheid die ertoe strekt om in het geval waarin sprake is van wisselende inkomens in drie opeenvolgende jaren te komen tot een herrekening van de verschuldigde belasting in het middelingstijdvak en daarmee eventueel tot een belastingteruggaaf. Vorenstaande betekent dat voor zover het verzamelinkomen van appellant in 2008 (zijnde het totaal van het belastbaar inkomen uit box 1, 2 en 3) qua bedrag al overeenkomt met zijn belastbaar inkomen uit box 1 in 2008, de toepassing van de middelingsregeling enkel en alleen betekenis heeft voor de belastingheffing over de jaren 2006 tot en met 2008, en niet tot gevolg heeft dat de Belastingdienst het verzamelinkomen van appellant over 2008 op een ander bedrag heeft vastgesteld. 4.
  9. Verder verbiedt artikel 11.5, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde in 2008, de Minister om af te wijken van het begrip toetsingsinkomen. De wetgever heeft er aldus onmiskenbaar voor gekozen dat het door de belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen te allen tijden bepalend is voor de vaststelling van het toetsingsinkomen en daarmee van het meerinkomen. Dit betekent dat appellants stelling dat het bedrag van € 3.621,- ten onrechte wordt gerekend tot zijn verzamelinkomen in de onderhavige procedure niet slaagt.
  10. Hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober
  12. (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen (getekend) Z. Karekezi CVG

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.