← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:2839

Datum uitspraak: 13 december 2013 13/2697 WIA-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 mei 2013, 12/11716 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 21 augustus 2013 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de uitspraak van de Raad van 21 augustus 2013 heeft mr. E.A. Eisden namens appellant verzet gedaan. Het verzet is behandeld ter zitting van 22 november

  1. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Eisden. Het Uwv is niet verschenen. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 21 augustus 2013 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. In het verzetschrift heeft de gemachtigde van appellant verklaard dat hij vanwege twee sterfgevallen in de naaste familie moest afreizen naar zijn land van herkomst en daarom niet in staat is geweest de door de accountant opgemaakte betalingsopdrachten te ondertekenen. Direct na terugkomst heeft de gemachtigde het griffierecht alsnog voldaan. Ter zitting heeft de gemachtigde nog aangevoerd dat pas na ontvangst van de brief van de Raad van 1 juli 2013 bleek dat appellant financieel niet in staat was het griffierecht te voldoen. De gemachtigde heeft getracht de betaling vóór zijn vertrek naar het buitenland te regelen, maar zijn betalingsopdracht kon als gevolg van een storing met internetbankieren niet worden uitgevoerd. De gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat hij niet op de in de brief van 1 juli 2013 gestelde betalingstermijn heeft gelet. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het (de gemachtigde van) appellant niet kan worden verweten dat het griffierecht niet tijdig is betaald. Het had op de weg van de gemachtigde gelegen afdoende maatregelen te treffen om kennisneming en afhandeling van post, alsmede van (eventuele) andere proceshandelingen, tijdens zijn - onverwachte - verblijf in het buitenland mogelijk te maken. De Raad merkt daarbij op dat in de brief van 1 juli 2013 duidelijk staat vermeld dat het griffierecht binnen vier weken dient te zijn voldaan. Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat (de gemachtigde van) appellant niet in verzuim is geweest, moet het verzet ongegrond worden verklaard. Het bedrag van het te laat betaalde griffierecht (€ 118,- ) zal door de griffier van de Raad aan de gemachtigde worden terugbetaald. Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december
  2. (getekend) T.G.M. Simons (getekend) D.W.M. Kaldenhoven QH

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.