12/6269 WUV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 17 van de Beroepswet in verband met het geding tussen: Partijen: [A. te B.](appellant) de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder) PROCESVERLOOP Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 oktober 2012, kenmerk BZ01516890 BZ01 WUV
- OVERWEGINGEN In artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Bij brief van 19 december 2012 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 35,-- is verschuldigd, en is medegedeeld dat het volledige verschuldigde bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van deze brief op de bankrekening van de Centrale Raad van Beroep moet zijn bijgeschreven. Bij aangetekende brief van 23 januari 2013 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de bankrekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig betaald is, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden. Bij brief van 11 januari 2013, ontvangen bij de Raad op 22 januari 2013, heeft appellant aangevoerd dat hij het griffierecht twee keer heeft overgemaakt. Op 12 december heeft het Landelijk dienstencentrum € 35,-- ontvangen in de zaak 12/6268 BPW en op 11 januari 2013 in de zaak 12/6270 WUBO. In deze zaak (12/6269 WUV) is echter geen griffierecht betaald. De Raad stelt vast dat het griffierecht niet binnen de termijn is betaald. Nu op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest, acht de Raad het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel, in tegenwoordigheid van P.A.M. Hulsdouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart
- (getekend) J.Th. Wolleswinkel (getekend) P.A.M. Hulsdouw Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord. IvR