Centrale Raad van Beroep 11/2211 WAZ Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 maart 2011, 10/1479 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.H.G. in de Braekt hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2013. Namens appellante zijn verschenen mr. E. Kort-Schenk en [K.]. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W.M.J. Evers. OVERWEGINGEN 1.1. Op 18 mei 2009 heeft de echtgenoot van appellante namens appellante een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) aangevraagd waarbij te kennen is gegeven dat zij al jaren arbeidsongeschikt is vanwege psychische klachten en in verband hiermee in 2000 in behandeling is gekomen bij een psychiater. Naar aanleiding van deze aanvraag is een verzekeringsgeneeskundig onderzoek ingesteld, waarbij is vastgesteld dat appellante in de zomer van 1999 ernstige psychische klachten had als gevolg waarvan zij haar werk als medewerker in het assurantiebedrijf van haar echtgenoot al in september 1999 had gestaakt. De betrokken verzekeringsarts heeft vervolgens in een rapport van 20 juli 2009 vastgesteld dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag 1 september 1999 is. 1.2. Bij besluit van 1 februari 2010 is aan appellante per 18 mei 2008 een WAZ-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. 1.3. Appellante heeft tegen het besluit van 1 februari 2010, voor zover betrekking hebbend op de ingangsdatum van de WAZ bezwaar gemaakt. Bij besluit van 31 maart 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe - samengevat - overwogen dat ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WAZ de uitkering niet eerder kan ingaan dan één jaar voor de dag waarop de aanvraag werd ingediend. Het tweede lid van het artikel geeft aan dat in bijzondere gevallen van deze hoofdregel afgeweken kan worden. Hetgeen appellante naar voren heeft gebracht biedt geen toereikende grondslag voor de conclusie dat er sprake is van een bijzonder geval. De echtgenoot van appellante had een aanvraag voor een uitkering kunnen indienen. Niet gebleken is dat hij haar belangen niet had kunnen behartigen. Hij heeft aangegeven er wel aan te hebben gedacht, maar was van mening dat hij te laat was. De rechtbank begrijpt evenwel dat de situatie voor de echtgenoot van appellante moeilijk was, maar dit levert geen bijzonder geval op. 3.1. In hoger beroep heeft appellante nogmaals naar voren gebracht dat er wel degelijk sprake is van een bijzonder geval. Appellante had onvoldoende ziektebesef en zij gaf steeds aan dat het spoedig beter zou gaan. Daarnaast waren de omstandigheden voor haar echtgenoot heel zwaar, psychisch, waardoor hij ook buiten staat was een aanvraag in te dienen. Appellante heeft een psychologisch onderzoeksrapport over haar echtgenoot van november 2011 overgelegd. Hieruit blijkt dat de draagkracht van de echtgenoot van appellante beperkt was en zijn draaglast groter werd, mede door externe factoren. Zijn prioriteiten lagen bij de zorg voor zijn gezin en niet bij het afhandelen van administratieve zaken. 3.2. Appellante heeft voorts een beroep gedaan op het Besluit toekenning WAZ-uitkering met terugwerkende kracht t.a.v. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.