← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:809

Centrale Raad van Beroep 12/6480, 12/6481 BESLU Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [A. te B.] (betrokkene) de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 september 2009, 08/1029, in het geding tussen betrokkene en het Uwv. Bij uitspraak van 14 december 2012 (09/5880) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder de in de aanhef van deze uitspraak genoemde nummers wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad naast het Uwv de Staat aangemerkt als partij in die procedure. Namens de Staat heeft drs. B.E.J. Klein Schiphorst, werkzaam bij de Raad voor de rechtspraak, een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het Uwv heeft eveneens een reactie ingezonden. Namens betrokkene heeft mr. J.W. van de Wege, advocaat, bij brief van 19 februari 2013 op deze standpunten gereageerd. Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten. OVERWEGINGEN

  1. Namens de Staat is - kort weergegeven - erkend dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, in de rechterlijke fase is overschreden en dat betrokkene in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij is te kennen gegeven dat betrokkene een vergoeding van € 1.500,- toekomt, nu de redelijke termijn in de rechterlijke fase met één jaar en ruim twee maanden is overschreden.
  2. Namens het Uwv is erkend dat het Uwv verantwoordelijk is voor een overschrijding van de termijn van ruim drie maanden. Het Uwv heeft zich bereid verklaard het daarmee samenhangende bedrag van € 500,- te betalen.
  3. Betrokkene heeft bij brief van 19 februari 2013 te kennen gegeven dat hij instemt met de door de Staat en het Uwv aangeboden bedragen.
  4. Gelet op het voorgaande ziet de Raad aanleiding de Staat te veroordelen tot vergoeding van immateriële schadevergoeding aan betrokkene ten bedrage van € 1.500,- en het Uwv te veroordelen tot vergoeding van immateriële schadevergoeding aan betrokkene ten bedrage van € 500,-.
  5. Er is aanleiding om de Staat en het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze procedure. Deze kosten worden begroot op € 472,-, door de Staat en het Uwv elk voor de helft te betalen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Staat tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding van € 1.500,-; veroordeelt het Uwv tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding van € 500,-; veroordeelt de Staat in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 236,-; veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 236,-. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni
  6. (getekend) J.W. Schuttel (getekend) P. Boer JvC

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.