Centrale Raad van Beroep 11/5756 WAZ Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2011, 11/1212 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W.H. Boomstra, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben over en weer op elkaars standpunten gereageerd onder toezending van nadere stukken. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2013. Appellant is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant was sinds 1974 werkzaam als zelfstandig textielhandelaar. Op 23 maart 2001 heeft hij een auto-ongeval gehad, waardoor hij hartklachten en psychische klachten heeft gekregen. Op 16 juli 2009 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) aangevraagd. 1.2 Bij besluit van 2 september 2010 is appellant met ingang van 16 juli 2008in aanmerking gebracht voor een WAZ-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.3. Bij besluit van 10 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 2 september 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het dossier geen aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat appellant in de periode van 23 maart 2001 tot 16 juli 2009 bij voortduring buiten staat is geweest om, eventueel met behulp van een derde een WAZ-uitkering aan te vragen. Dat appellant pas op den duur inzicht kreeg in de ernst en de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid maakt dit niet anders. 3.1. In hoger beroep heeft appellant gelijke gronden aangevoerd als hij in eerste aanleg heeft gedaan. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij zich in onvoldoende mate heeft kunnen realiseren dat er sprake was van een dermate beperking van zijn functioneren als zelfstandige, dat dit als arbeidsongeschiktheid gekwalificeerd zou kunnen worden. Appellant heeft hierbij benadrukt dat hij gedurende een periode van nagenoeg zeven jaar een zoektocht heeft verricht naar de oorzaak van zijn niet welbevinden. Er is daarom sprake van een bijzondere omstandigheid die toekenning van de WAZ-uitkering over een langere periode rechtvaardigt. Daarbij heeft appellant erop gewezen dat hij van mening is dat het beleid dat het Uwv heeft geformuleerd over (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.