Centrale Raad van Beroep 13/289 WAO Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 7 december 2012, 10/6869 Partijen: [Verzoeker] te [woonplaats], Duitsland (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 7 december
- Het Uwv heeft hierop een reactie gegeven. Het verzoek is behandeld ter zitting van de Raad van 31 mei
- Verzoeker is daar in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman. OVERWEGINGEN
- Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: . hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak; . bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en . waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 2.
- Verzoeker heeft aan zijn verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 7 december 2012 geen feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. Wat verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek om herziening heeft opgemerkt over de medische beperkingen en de uitkeringssituatie van zijn tweelingbroer, had verzoeker al naar voren kunnen brengen in de procedure die vooraf is gegaan aan de uitspraak van de Raad van 7 december
- Indien wat verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek om herziening heeft aangevoerd eerder bij de Raad bekend was geweest, zou dit bovendien niet hebben kunnen leiden tot een andere uitspraak. In het Nederlandse stelsel hangt het arbeidsongeschiktheidspercentage en de hoogte van een arbeidsongeschiktheidsuitkering namelijk niet alleen af van de medische beperkingen en de duur van het arbeidsverleden van betrokkenen. 2.
- Het is vaste rechtspraak dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb, een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. 2.
- Gelet op punt 2.1 en punt 2.2 dient het verzoek om herziening derhalve te worden afgewezen.
- De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli
- (getekend) T.L. de Vries (getekend) Z. Karekezi CVG