11/681 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 december 2010, 10/1035 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 1 februari
- PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft aanvullende informatie ingezonden en op 25 juli 2012 verzocht om een medisch onderzoek in Nederland. Bij brief van 6 augustus 2012 heeft mr. F. Kellouh, advocaat, zich als gemachtigde gesteld en een verzoek om uitstel van de behandeling van de zaak ter zitting ingediend. De Raad heeft dat verzoek, gelet op het late tijdstip daarvan, afgewezen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus
- Namens appellant is mr. Kellouh verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. De Raad heeft het onderzoek heropend omdat het onderzoek niet volledig is geweest en heeft mr. Kellouh daarbij in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te overleggen. Mr. Kellouh heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en bij brief van 7 oktober 2012 nadere stukken ingediend. Hierop heeft het Uwv gereageerd bij brief van 16 oktober
- Desgevraagd heeft mr. Kellouh op 15 november 2012 gereageerd op de reactie van het Uwv. Partijen hebben toestemming gegeven voor het doen van een uitspraak zonder dat andermaal een zitting heeft plaatsgevonden. Hierna heeft de Raad het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN
- Appellant heeft, naar uit de beschikbare gegevens in het dossier valt af te leiden, in elk geval in 1986 in Nederland werkzaamheden in loondienst verricht en is in april 1993 om gezondheidsredenen naar Marokko teruggekeerd.
- Appellant heeft via de Caisse National de Sécurité Sociale een op 24 november 2008 opgemaakte aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingediend. Bij die aanvraag waren een aantal bijlagen gevoegd. Het Uwv heeft bij besluit van 3 december 2009 deze aanvraag afgewezen omdat appellant niet voldeed aan de verzekeringsvoorwaarden. Volgens de toegezonden bijlagen bij de aanvraag ontving appellant namelijk een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW) van de gemeentelijke sociale dienst te Den Haag (GSD). 3.
- Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 december
- Hij heeft aangevoerd dat hij in Nederland heeft gewerkt, dat hij over een periode van ongeveer 40 weken een volledige WAO-uitkering heeft ontvangen en dat hij in de laatste periode van zijn verblijf in Nederland geen WAO-uitkering meer ontving omdat hij vanwege zijn ziekte de regels niet goed kon volgen. 3.
- Het Uwv heeft bij besluit van 11 februari 2010 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Volgens een verklaring van 4 maart 2008 van dr. S. Talhhaoui, bij wie appellant sinds 1994 in behandeling was, zou zijn arbeidsongeschiktheid in 1991 zijn ontstaan en volgens een verklaring van de zenuwarts, psychiater A.G.G.E. Lombardo van 28 oktober 1992 was appellant op dat moment bij deze arts in behandeling. Het Uwv concludeerde dat uit de overgelegde gegevens niet is gebleken van de door appellant gestelde ontvangst van een WAO-uitkering, wel van het ontvangen van een RWW-uitkering in
- Op grond van het ontvangen van een RWW-uitkering bestond geen verzekering op grond van de WAO en daarom geen recht op een WAO-uitkering
- De Rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 11 februari 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Zij heeft de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde overwegingen onderschreven.
- In hoger beroep heeft appellant zijn in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Hij heeft daaraan voorts toegevoegd nog steeds in behandeling te zijn en naar zijn mening nog steeds arbeidsongeschikt te zijn. 6.
- De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij het op 6 augustus 2012 ingediende verzoek om uitstel heeft afgewezen omdat de gemachtigde van appellant het dossier nog voor de zitting ter beschikking is gesteld. De Raad heeft vervolgens in het verhandelde ter zitting aanleiding gezien het onderzoek te heropenen door de gemachtigde van appellant, zoals zij heeft verzocht, in de gelegenheid te stellen nadere gegevens in procedure te brengen. Van deze gelegenheid heeft de gemachtigde, zoals vermeld in de rubriek Procesverloop, gebruik gemaakt. 6.
- De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit. Ook aan de nadere gegevens kan de Raad geen aanknopingspunten ontlenen voor het ontstaan in 1991 dan wel in de jaren daarna van een verzekering op grond van de WAO op basis van één van de daarvoor in aanmerking komende artikelen 3 e.v. van de WAO. Uit deze gegevens valt op geen enkele wijze op te maken dat appellant in 1991 in Nederland in dienstbetrekking werkzaam was of dat hij een werkloosheidsuitkering ontving dan wel op andere gronden als verzekerd op grond van de WAO had te gelden. Een nadere onderbouwing dat appellant in 1991 op enigerlei grond als verzekerde voor de WAO had te gelden, heeft mr. Kellouh ook niet meer gegeven. De Raad wijst er in dit verband nog op dat van de door appellant in hoger beroep overgelegde stukken deel uitmaakt een specificatie van de GSD van november 2001 waarin een gedane betaling is omschreven als een na te betalen uitkering over de periode van 4 september 1991 tot en met 31 oktober
- 6.
- Overweging 6.2 leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 februari
- (getekend) C.W.J. Schoor (getekend) R.L. Rijnen JL