12/868 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 december 2011, 11/1777 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 6 februari
- PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober
- Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Gürses en haar echtgenoot [naam echtgenoot]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C. van der Meer. Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. Naar aanleiding van een vraagstelling door de Raad heeft het Uwv de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 24 oktober 2012 toegezonden en heeft appellante hierop schriftelijk gereageerd. Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN 1.
- Appellante is werkzaam geweest als productiemedewerkster/inpakster boeken. Appellante heeft in 2008 een miskraam gehad na 18 weken zwangerschap. Op 21 juli 2009 is appellante bevallen van een tweeling. Op 22 oktober 2009 heeft appellante zich in aansluiting op het bevallingsverlof ziek gemeld vanwege rug- en bekkenklachten. Bij besluit van 17 november 2009 heeft het Uwv appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend omdat zij door zwangerschap en/of bevalling arbeidsongeschikt is geworden. Appellante is vervolgens meerdere keren op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest, voor het laatst op 26 november
- Bij die gelegenheid heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat er per 29 november 2010 geen sprake meer was van rug- of bekkenafwijkingen en dat de - door appellante eerst in juni 2010 genoemde - psychische klachten geen rechtstreekse relatie hebben met de laatste zwangerschap en/of bevalling, maar te maken hebben met aanpassingsproblematiek op een veranderde situatie. Volgens de verzekeringsarts was er geen sprake meer van arbeidsongeschiktheid die zijn oorzaak vindt in de zwangerschap en/of bevalling. 1.
- Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 26 november 2010 vastgesteld dat appellante met ingang van 29 november 2010 niet (langer) arbeidsongeschikt is door zwangerschap of bevalling. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in de rapportages van 22 februari 2011 en 1 maart 2011 - bij besluit van 4 maart 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsartsen waren op de hoogte van de door appellante gestelde klachten, waaronder bekken- en rugklachten en psychische klachten. Ten aanzien van de bekken- en rugklachten hebben de verzekeringsartsen voldoende gemotiveerd dat deze klachten niet meer als zodanig op de voorgrond staan, dat ze zijn verbeterd en dan ook niet langer leiden tot arbeidsongeschiktheid voor het eigen werk als gevolg van zwangerschap en bevalling. Ten aanzien van de psychische klachten heeft de rechtbank de conclusie van de verzekeringsartsen gevolgd dat er geen rechtstreeks verband is met de laatste zwangerschap en bevalling. Volgens de verzekeringsartsen is het ontstaan van de psychische klachten gelegen in de voorlaatste zwangerschap die is geëindigd in een late miskraam waarbij de verzekeringsartsen hun standpunt hebben gebaseerd op de beschikbare informatie van psychiater Camoenié en psycholoog Majaiti. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de postpartum depressie van appellante als rechtstreeks gevolg van de laatste bevalling en/of zwangerschap moet worden gezien.
- In hoger beroep herhaalt appellante haar standpunt dat de psychische klachten wel in rechtstreeks verband staan met de laatste zwangerschap en bevalling en verwijst daarvoor naar de reeds overgelegde medische informatie. Na de bevalling is naast de rug- en bekkenklachten ook een postnatale depressie ontstaan. Uit het dossier blijkt dat de psychische klachten reeds bestonden en dat ze na de bevalling sterk toegenomen zijn.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In dit geval is dat het werk van productiemedewerkster/inpakster boeken. 4.
- Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken. Het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen is zorgvuldig geweest. Beide artsen hebben appellante gezien en gesproken, appellante is lichamelijk onderzocht en er is rekening gehouden met de informatie uit de behandelende sector. De rechtbank heeft terecht het standpunt van de bezwaarverzekeringsartsen dat er geen sprake meer is van arbeidsongeschiktheid als gevolg van de laatste zwangerschap en/of bevalling onderschreven. Ten aanzien van de psychische klachten heeft de bezwaarverzekeringsarts zich in de rapportage van 1 maart 2011 op het standpunt gesteld dat deze niet het gevolg zijn van complicaties in de laatste zwangerschap of de bevalling op zich in 2009, doch gerelateerd aan gebeurtenissen in de voorlaatste zwangerschap. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich hierbij gebaseerd op de informatie van de door appellante overgelegde informatie van psychiater Camoenié van I-Psy van 16 oktober 2010 waarin gesproken wordt van een aanpassingstoornis met angst en sombere stemming en een rouwreactie. Verder heeft de bezwaarverzekeringsarts gewezen op de informatie van psycholoog Majaiti van 10 februari 2011 en 4 mei 2011 waaruit valt af te leiden dat de behandeling van appellante is gericht op het verwerken van het verlies van de baby. Er bestaat geen aanleiding voor twijfel aan dit standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, zoals in hoger beroep nog nader gemotiveerd in de rapportage van 24 oktober
- Het door appellante in hoger beroep overgelegde voortgangsbericht van I-Psy van 14 november 2012 ligt in lijn met voorgaande informatie en vormt in dit verband eerder een bevestiging van de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts nu daarin gesteld wordt dat bij nader inzien de traumagerelateerde klachten lijken te vallen onder een gegeneraliseerde angststoornis. Het standpunt van appellante dat sprake is van een postpartum depressie wordt dan ook niet onderschreven.
- Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 februari
- (getekend) C.P.J. Goorden (getekend) D.E.P.M. Bary KR