← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1199

11/4487 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2011, 10/5491 (aangevallen uitspraak) Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (appellant) [A. te B.] (betrokkene) Datum uitspraak: 14 februari 2013 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 januari

  1. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A. Boes-Kouwenoord. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. F.A. Chorus, advocaat. OVERWEGINGEN 1.
  2. Betrokkene is vanaf 1 juli 2002 voor een periode van twee jaar op basis van de Wet Inschakeling Werkzoekenden op arbeidsovereenkomst volgens artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek in dienst genomen door de Dienst Maatwerk van de gemeente Amsterdam. Maatwerk heeft betrokkene vanaf 1 juli 2002 uitgeleend voor het verrichten van werkzaamheden als administratief medewerker aan Buurt Service Noord en daarna vanaf 24 februari 2003 aan de Sociale Dienst Amsterdam. Vanaf 1 januari 2006 had betrokkene een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht bij de Stichting Pantar en is zij uitgeleend geweest aan de Dienst Werk en Inkomen (DWI), waarin de Sociale Dienst is opgegaan. Met ingang van 1 mei 2007 is betrokkene in dienst gekomen bij DWI op basis van een tijdelijke aanstelling, die liep tot 1 januari
  3. Deze aanstelling is vervolgens tot 1 januari 2010 nog twee keer verlengd. 1.
  4. Bij besluit van 7 januari 2010 is de tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd voor de derde keer verlengd met ingang van 1 januari
  5. In het besluit is aangegeven dat deze tijdelijke aanstelling afloopt op 1 maart
  6. Betrokkene heeft tegen dit besluit bij brief van 26 februari 2010 bezwaar gemaakt en aangevoerd dat met dit besluit miskend wordt dat reeds van rechtswege een vaste aanstelling was ontstaan. Aangegeven wordt dat betrokkene zich niet kan verenigen met het besluit de tijdelijke aanstelling met ingang van 1 maart 2010 niet te verlengen. Voorts is door betrokkene gevraagd om een schriftelijke bevestiging door appellant dat op grond van het arbeidsverleden een vaste aanstelling was ontstaan en dat het besluit van 7 januari 2010 zal worden ingetrokken. Het bezwaar is bij besluit van 8 april 2010 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 23 december 2010 een hiertegen ingesteld beroep ongegrond verklaard, welke uitspraak door de Raad is bevestigd (CRvB 29 september 2011, 11/916 AW, LJN BT6778). 1.
  7. Bij brief van 21 april 2010 heeft betrokkene appellant verzocht schriftelijk te bevestigen dat er een aanstelling in vaste dienst is ontstaan en dat daaraan met terugwerkende kracht uitvoering zal worden gegeven. Bij besluit van 6 mei 2010 heeft appellant het standpunt ingenomen dat het besluit van 7 januari 2010 in rechte vaststaat en dat het nieuwe verzoek daarom niet inhoudelijk in behandeling wordt genomen. Onder verwijzing naar de beslissing op bezwaar van 8 april 2010 is het verzoek afgewezen. Nadat een hiertegen door betrokkene gemaakt bezwaar bij het bestreden besluit van 5 oktober 2010 ongegrond was verklaard is daartegen beroep ingesteld.
  8. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 6 mei 2010 herroepen. Daartoe heeft zij overwogen dat besluitvorming over de tijdelijke aanstelling niet kan afdoen aan een (eerdere) conversie van rechtswege van een tijdelijke aanstelling in een vaste aanstelling. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de periode vanaf 24 februari 2003, waarin betrokkene gedetacheerd is geweest, gelijk gesteld moet worden met een tijdelijke aanstelling en bepaald dat de tijdelijke aanstelling van betrokkene per 24 februari 2006 wordt omgezet in een vaste aanstelling.
  9. Naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende. 3.
  10. Het besluit van 7 januari 2010 is, ook voor zover daarin is aangegeven dat de tijdelijke aanstelling op 1 maart 2010 afloopt, gelet op de onder 1.2 geschetste gang van zaken, in rechte onaantastbaar geworden. 3.
  11. Aan haar verzoek van 21 april 2010 heeft betrokkene ten grondslag gelegd dat er per 1 maart 2010 geen sprake kan zijn van het eindigen van een tijdelijke aanstelling, omdat zij op die datum reeds geacht moet worden in vaste dienst te zijn aangesteld. Zij acht het daarom onjuist dat in het besluit van 7 januari 2010 wordt aangegeven dat de aanstelling op 1 maart 2010 zou aflopen. Uitgaande van het besluit van 7 januari 2010 heeft appellant de brief van 21 april 2010 terecht opgevat als een verzoek om terug te komen van een eerder genomen - in rechte vaststaand - besluit. Overeenkomstig hetgeen in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald voor herhaalde aanvragen, mag van degene die een dergelijk verzoek indient worden verlangd dat hij daarbij nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermeldt die een terugkomen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit. 3.
  12. De Raad is van oordeel dat betrokkene in haar verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. Betrokkene had hetzelfde standpunt ook al eerder in haar bezwaar tegen het besluit van 7 januari 2010 naar voren gebracht. Dit betekent dat appellant het verzoek om terug te komen op dit besluit op goede grond onder verwijzing naar het eerdere besluit heeft afgewezen. 3.
  13. De rechtbank heeft een en ander niet onderkend. Voor zover de rechtbank in dit verband heeft gewezen op de uitspraak van de Raad van 10 april 2008 (LJN BC9906), merkt de Raad op dat daarin een andere situatie aan de orde was, alleen al omdat in dat geval geen sprake was van een verzoek om terug te komen van een onherroepelijk geworden besluit omtrent het eindigen van een tijdelijke aanstelling. Het hoger beroep slaagt dus. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.
  14. De Raad ziet tot slot geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep: - vernietigt de aangevallen uitspraak; - verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari
  15. (getekend) A. Beuker-Tilstra De griffier is buiten staat te tekenen

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.